Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3116
Feiten
Werknemer is op 1 maart 2022 bij een rooms-katholieke kerk in Amsterdam (hierna: werkgeefster) in dienst getreden in de functie van muziekdirecteur en titulair organist. In die functie is hij onder meer dirigent/koorleider van twee vrijwilligerskoren en van een professioneel koor. Op 10 januari 2024 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt. In augustus 2024 heeft werkgeefster werknemer geïnformeerd dat zij voornemens was zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen, omdat zijn functie zou komen te vervallen. Op 1 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarin aan werknemer is voorgehouden dat er klachten waren binnengekomen over (grensoverschrijdend) gedrag van werknemer. Ondanks herhaald verzoek van werknemer om concretere informatie over de vermeende klachten, heeft werkgeefster daarover geen nadere informatie verstrekt. Werkgeefster heeft bij het UWV een ontslagaanvraag voor werknemer ingediend. Daarop is nog niet beslist. Op 7 januari 2026 heeft werknemer zich volledig hersteld gemeld. Hij is, ondanks verzoek daartoe, door werkgeefster niet toegelaten tot het uitvoeren van zijn eigen werkzaamheden. Werknemer vordert wedertewerkstelling.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is (geweest) van zodanig structureel grensoverschrijdend gedrag door werknemer dat dit een schorsing rechtvaardigt. Werkgeefster verwijst naar klachten die zouden zijn ontvangen van koorleden uit de drie verschillende koren. Ter zitting is namens werkgeefster desgevraagd verklaard dat er tien klagers zijn en dat er ook een aantal mensen is dat mondeling klachten heeft geuit. Maar zij heeft dit verder onvoldoende concreet onderbouwd. Bovendien zijn de vermeende citaten uit de door haar gestelde brieven van klagers onvoldoende ernstig om een schorsing te rechtvaardigen. Oftewel, zelfs als de weergegeven citaten inderdaad afkomstig zijn uit brieven van koorleden – hetgeen in deze procedure niet kan worden beoordeeld, omdat werkgeefster die brieven niet heeft overgelegd – rechtvaardigen die naar voorlopig oordeel van de kantonrechter nog niet de gegeven schorsing. Die (gestelde) klachten zijn namelijk onvoldoende ernstig en bovendien zodanig algemeen en onvoldoende concreet, dat zij naar voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende zwaar wegen tegenover het zwaarwegende belang van werknemer om zijn eigen werkzaamheden uit te kunnen voeren. Daarbij is ook van belang dat werkgeefster geen onafhankelijk onderzoek heeft laten uitvoeren naar de vermeende klachten. Het voorgaande geldt eens te meer, nu niet in geschil is dat er een aanzienlijke groep koorleden is dat expliciet te kennen heeft gegeven dat zij de gestelde klachten niet herkent en vindt dat het kerkbestuur onjuist heeft gehandeld. Zo heeft werkgeefster zelf een op 9 januari 2026 gedateerde, en door zeventien koorleden ondertekende, brief overgelegd, waarin onder meer staat: “Het is onacceptabel hoe (…) het kerkbestuur met onze gewaardeerde dirigent omgaat, zowel tijdens zijn ziekte – en re-integratie periode, als nu bij zijn recente herstel (…)”, en waarin verzocht wordt de schorsing per direct terug te draaien. Van andere bijzondere omstandigheden om de schorsing in stand te houden, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet gebleken. De vordering tot wedertewerkstelling wordt dan ook toegewezen.
