Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1261
Feiten
Werknemer is sinds 1 juli 2018 in dienst bij werkgeefster. Sinds 2022 is hij verantwoordelijk voor de aansturing van de organisatie, het voorzitten van het MT en het nemen van strategische en operationele besluiten binnen het aan hem toekomende mandaat. De CEO van werkgeefster is de direct leidinggevende van werknemer. De CEO heeft werknemer op 4 februari 2026 laten weten dat er sprake is van een bedrijfseconomische herstructurering en dat zijn rol daarom niet langer passend is binnen de organisatie. De CEO heeft een voorstel gedaan de arbeidsovereenkomst van werknemer met wederzijds goedvinden te beëindigen. Werknemer is niet op dat voorstel ingegaan. De CEO heeft werknemer vervolgens op 9 februari 2026 op non-actief gesteld en hem de toegang tot de bedrijfssystemen ontzegd. Als reden hiervoor is gegeven dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding en valsheid in geschrifte, verduistering en het blokkeren van rechtsbescherming, en financieel wanbeleid en verwaarlozing van toezicht. Werknemer vordert in kort geding opheffing van de op non-actiefstelling en herstel van de toegang tot de bedrijfssystemen. Er is inmiddels ook een ontbindingsprocedure gestart door werkgeefster.
Oordeel
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de oorspronkelijk genoemde gronden voor de op non-actiefstelling in de e-mail van 9 februari 2026 niet de conclusie dragen dat er op 9 februari 2026 voldoende aanleiding bestond om werknemer op grond daarvan per direct te schorsen/op non-actief te stellen. In deze kortgedingprocedure is niet gebleken van een redelijk vermoeden van misleiding en valsheid in geschifte, verduistering en het blokkeren van rechtsbescherming en financieel wanbeleid en verwaarlozing van toezicht. Daarvoor bestond naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op 9 februari 2026 onvoldoende aanleiding. Ook een groot deel van de na 9 februari 2026 genoemde gronden bieden onvoldoende onderbouwing voor de op non-actiefstelling. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat werknemer relevante informatie voor de CEO heeft achtergehouden. Partijen zijn het erover eens dat werkgeefster de afgelopen twee jaar verlies heeft geleden. Volgens de CEO was het echter gebruikelijk dat er per jaar € 500.000 aan winst werd behaald. De beantwoording van de vraag of die neerwaartse spiraal ook het gevolg is geweest van onverstandige investeringen door werknemer en de (door de salesmanager veroorzaakte) angstcultuur, waar werknemer onvoldoende tegen zou hebben opgetreden, leent zich echter niet voor behandeling in kort geding. Wel constateert de voorzieningenrechter dat sprake lijkt te zijn geweest van een angstcultuur en dat werknemer in de beleving van de bevraagde werknemers een rol bij de instandhouding daarvan heeft gespeeld. Ook hebben alle leden van het MT inmiddels het vertrouwen in werknemer opgezegd en gedreigd om op te stappen als werknemer weer tot de werkzaamheden zal worden toegelaten. Voor terugkeer van werknemer in zijn functie is het dus nodig dat er (eerst) wordt gewerkt aan herstel van vertrouwen. Met een dergelijk herstel van vertrouwen, indien al mogelijk, zal de nodige tijd zijn gemoeid. Tegen deze achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek al op 9 april 2026 zal plaatsvinden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van werknemer bij toelating tot de werkzaamheden niet opweegt tegen het belang van werkgeefster om de werkzaamheden zo ongestoord mogelijk te kunnen laten verlopen. Daarbij komt dat een cultuurverandering een tijdrovend proces is, waarbij veel mensen gezamenlijk en in onderling vertrouwen betrokken moeten zijn. Afwijzing van de vorderingen van werknemer volgt.
