Naar boven ↑

Rechtspraak

Staat der Nederlanden, het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap/werkneemster
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 25 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:6467
Ontbinding arbeidsovereenkomst zieke werkneemster op grond van ernstige wanprestatie (art. 7:686 BW). Werkneemster is niet meer op het werk verschenen en heeft zonder deugdelijke grond geen gehoor gegeven aan verzoeken werkgever om re-integratieverplichtingen na te komen.

Feiten

Werkneemster is op 10 maart 1992 in dienst getreden bij het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW). Op 16 oktober 2024 is werkneemster arbeidsongeschikt geworden. Per 16 december 2024 is werkneemster gaan re-integreren, waarna de afspraak is gemaakt dat zij vanaf 19 mei 2025 in het kader van re-integratie aangepaste werkzaamheden zou verrichten. Vervolgens, toen werkneemster niet meer op het werk verscheen, heeft OCW diverse keren en op verschillende manieren geprobeerd in contact te komen met werkneemster. Dat is niet, althans nauwelijks, gelukt. Bij brief van 28 juli 2025 heeft OCW werkneemster medegedeeld dat de betaling van het salaris wordt gestaakt. In deze brief is werkneemster opgedragen om op 31 juli 2025 aanwezig te zijn voor een gesprek met haar (vervangend) leidinggevende. Hoewel deze brief per e-mail, per whatsapp en per aangetekende brief naar werkneemster is verzonden, is zij niet verschenen. Ook nadien is werkneemster ondanks herhaalde inspanningen van OCW onbereikbaar gebleven. OCW heeft bij het UWV een aanvraag ingediend voor een deskundigenoordeel, waarna het UWV aangaf dat een deskundigenoordeel niet mogelijk was omdat werkneemster niet had gereageerd op de uitnodiging om een afspraak bij het UWV te maken of terug te bellen. OCW verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair wegens wanprestatie ex artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 7:686 BW. Werkneemster is niet in de procedure verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van ernstige wanprestatie. Uit de processtukken is voldoende gebleken dat werkneemster van het ene op het andere moment niet meer op het werk is verschenen en zonder deugdelijke grond geen gehoor heeft gegeven aan herhaalde verzoeken van OCW om haar re-integratieverplichtingen na te komen. Kenmerkend is dat werkneemster op afspraken niet komt opdagen en niet reageert op de vele verzoeken van OCW, zodat er geen tot nauwelijks contact mogelijk is. Ook in deze procedure is werkneemster zonder verder bericht niet verschenen. Het opzegverbod tijdens ziekte staat niet aan ontbinding in de weg, gelet op het bepaalde in artikel 7:670a lid 1 BW. In dit artikellid is (kort gezegd) bepaald dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is indien een werknemer zonder deugdelijke grond de re-integratieverplichtingen weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk tot nakoming heeft gemaand of om die reden de loonbetaling heeft gestaakt. Aan die vereisten is in het onderhavige geval voldaan. Herplaatsing ligt niet in de rede. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgt. OCW heeft verzocht de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden en geen rekening te houden met de opzegtermijn. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal – ook om praktische redenen – worden bepaald op 1 april 2026. Nu er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster, heeft zij geen recht op de transitievergoeding.