Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 31 maart 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:494
De dienstverlening van werkgeefster, die zelf geen fysieke bouwactiviteiten verricht, is onmiskenbaar aan te merken als dienstverlening op het gebied van het uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten in de zin van de werkingssfeer van de cao Bouw.

Feiten

X is onderdeel van Y-groep, waartoe ook Z-B.V. behoort. Z-B.V. valt onder de werkingssfeer van de cao Bouw. In het Handelsregister zijn de activiteiten van X omschreven als “Projectontwikkeling”. Het hof heeft geoordeeld dat de formulering die in de bouwregelingen ter aanduiding van de werkingssfeer wordt gebruikt zodanig moet zijn dat het voor een gemiddelde werkgever bij lezing daarvan duidelijk is, of naar objectieve maatstaven redelijkerwijs moet zijn, dat zijn bedrijfsactiviteiten vallen onder de werkingssfeer daarvan, en dat de tekst van de bouwregelingen daar niet aan voldoet. In cassatie hebben de Bouwfondsen onder meer geklaagd dat van een onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat getwist kan worden over de juiste lezing van een werkingssfeerbepaling al voldoende is om te oordelen dat die bepaling niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van duidelijkheid, zodat X om die reden niet onder de werkingssfeerbepaling van de bouwregelingen valt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de onduidelijke werkingssfeerbepaling onvoldoende is om te oordelen dat de onderneming niet onder de werkingssfeer valt. Het hof heeft miskend dat de uitleg conform de cao-norm ook moet plaatsvinden als bewoordingen waarmee de werkingssfeer is omschreven onduidelijk zijn. Er moet onder meer acht worden geslagen op de elders in de desbetreffende regeling gebruikte bewoordingen, op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, op eventuele eerdere of latere versies van de regeling en op de eventuele schriftelijke toelichting bij de regeling. Het hof heeft de zaak doorverwezen naar het hof.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat op de bouwfondsen de stelplicht en de bewijslast rusten van de feiten waaruit volgt dat de activiteiten van werkgeefster onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit vallen. De omstandigheid dat werkgeefster een verklaring voor recht vordert dat dit niet het geval is, maakt dit niet anders. Bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling conform de cao-norm is doorslaggevend of het bedrijf van werkgeefster gericht is op dienstverlening voor of aan derden op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten. Vast staat dat werkgeefster zelf geen fysieke bouwactiviteiten verricht maar dat betekent, anders dan werkgeefster lijkt te betogen, niet dat de werkingssfeerbepaling niet op haar van toepassing is. Uit de conclusie van de A-G volgt immers dat werkgeefster ook onder de werkingssfeerbepaling in het Verplichtstellingsbesluit valt als zij zelf niet produceert maar wél diensten verleent. Het hof is van oordeel dat de activiteiten van werkgeefster ten doel hebben, of gericht zijn op, de totstandkoming en oplevering van een bouwwerk aan haar klanten: zij is de regisseur van het bouwproces door deze bouwers en houdt daarop toezicht. Het door werkgeefster begeleide bouwproces leidt uiteindelijk tot de oplevering van een bouwwerk; dit proces is onmiskenbaar aan te merken als dienstverlening op het gebied van het uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten. De activiteiten van werkgeefster zijn niet los van elkaar te zien, juist omdat zij een totaalconcept aanbiedt. Werkgeefster heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het Verplichtstellingsbesluit bedoelde dienstverlening beperkt is tot dienstverlening op de bouwplaats, door de bouwer elders verricht voorbereidingswerk voor dienstverlening op de bouwplaats en machineverhuur. Het hof onderschrijft die visie niet. De slotsom is dat de grieven van werkgeefster met als strekking dat haar bedrijfsactiviteiten niet onder de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s vallen, falen. Het vonnis van de kantonrechter zal in zoverre worden bekrachtigd. Het betoog van werkgeefster dat zij geen premie verschuldigd is over de periode vóór 2020, baseert werkgeefster op bereikte overeenstemming, althans afstand van recht, althans rechtsverwerking, althans de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. In voormelde correspondentie ligt naar het oordeel van het hof geen aanbod van de bouwfondsen besloten om af te zien van de inning van over de periode vóór 2020 verschuldigde premies. De vordering van de bouwfondsen strekkende tot betaling van € 138.306,99 wordt toegewezen. De wettelijke handelsrente over de vordering van Bpf Bouw is toewijsbaar als gevorderd. Voor wat betreft de vorderingen van het Opleidingsfonds en van het Aanvullingsfonds is de wettelijke rente, het mindere ten opzichte van de wettelijke handelsrente, toewijsbaar. Ten aanzien van de buitengerechteljke incassokosten betoogt werkgeefster dat niet voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Zij bestrijdt dat de gevorderde kosten redelijkerwijze noodzakelijk waren en dat de omvang redelijk is. Zij wijst in dat verband op de proceshouding van Bpf Bouw, de weigering om inhoudelijk op argumenten van werkgeefster te reageren en het ontbreken van een specificatie van de kosten. Volgens Bpf Bouw hebben de buitengerechtelijke incassokosten meer het karakter van een boete maar zij heeft dat niet toegelicht. Daarmee heeft zij het verweer van werkgeefster onvoldoende bestreden. De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Het hof zal werkgeefster als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de procedure in hoger beroep bij het Hof Amsterdam en, na verwijzing door de Hoge Raad naar dit hof, in de kosten van het principaal hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal werkgeefster eveneens worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.