Rechtspraak
Feiten
Y B.V. is een agrarische onderneming die zich richt op het fokken en afmesten van Jersey kalveren voor de vleesproductie. Daarnaast exploiteert zij een boerderijwinkel, waarbij gebruik wordt gemaakt van vrijwilligers. Mevrouw X woonde samen met haar partner A op het terrein van Y. A is actief als ondernemer. De holdingvennootschap van A was medeoprichter en statutair bestuurder van Y. Ook mevrouw X staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel met een eenmanszaak. A en X hebben voor eigen rekening onder meer betaalde diners georganiseerd op het landgoed en groentepakketten verkocht via de boerderijwinkel. X verrichtte ook werkzaamheden in loondienst elders. Zij deed ook werk dat ten goede kwam aan Y. De holding van A factureerde door A en mevrouw X gemaakte uren aan Y. Op 27 juni 2025 is de holding van A als bestuurder ontslagen. Tussen partijen staat vast dat mevrouw X vanaf september 2022 mede werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Y. Volgens X heeft zij die werkzaamheden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst met Y en zij verzoekt in dat kader een verklaring voor recht. Y betwist dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst tussen haar en X. Volgens Y was er sprake van een overeenkomst tussen Y en de holding van A, althans desnoods A zelf. Wat X aan werk heeft gedaan, was ter ondersteuning van A. Y had daarmee geen bemoeienis, aldus Y.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat X betrokkenheid had bij de boerderij van Y, dat zij activiteiten voor eigen rekening ontplooide op het terrein van Y en ook dat zij werkzaamheden heeft verricht die ten goede kwamen aan Y, maar op geen enkele manier dat X zich contractueel heeft verbonden ten opzichte van Y of omgekeerd. X heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij opdracht of instructies kreeg van Y. Er is juist gebleken dat Y niet precies wist welke werkzaamheden X verrichtte en dat X zelf – in overleg met A – bepaalde of en wanneer zij werkzaamheden ten behoeve van Y verrichtte. Y heeft X ook niet rechtstreeks betaald voor haar werkzaamheden; betalingen liepen via A. De conclusie is dat de kantonrechter al met al niet kan vaststellen dat er sprake is van een rechtstreekse verbintenis – en daarmee van een overeenkomst – tussen X en Y. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een kwalificatie als arbeidsovereenkomst. Afwijzing van de verzoeken van X volgt.
