Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 5 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:27731
Feiten
Werkneemster en werkgeefster zijn een arbeidsovereenkomst (nulurencontract) overeengekomen per 1 januari 2025 voor de duur van een jaar. Werkneemster heeft sinds juni 2025 geen loon ontvangen van werkgeefster en vordert betaling daarvan in kort geding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Loonvordering gewerkte uren juni 2025
Vaststaat dat werkneemster van 1 juni tot en met 24 juni 2025 72 uur aan werkzaamheden heeft verricht en dat zij daar niet voor is betaald. Tussen partijen staat bovendien vast dat de opleiding die werkneemster volgt wettelijk verplicht is; werkgeefster heeft deze kosten niet mogen inhouden op het salaris van werkneemster. De loonvordering is dan ook toewijsbaar voor zover die ziet op de door werkneemster in juni gewerkte uren. Dit komt neer op een bedrag van € 1.272,96 bruto, te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld.
Berekening arbeidsomvang
Vaststaat dat partijen een nulurencontract zijn overeengekomen en dat werkneemster sinds 25 juni 2025 niet meer is opgeroepen. In principe betekent een dergelijk contract dat werkneemster geen recht heeft om opgeroepen te worden, tenzij een structuur in de oproepen is ontstaan en/of de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt. Daarvan is in dit geval sprake. De door werkneemster gewerkte uren, de weinige variatie in het rooster en de structuur daarvan zijn door werkgeefster onweersproken. Bij de berekening van de arbeidsomvang dient volgens artikel 7:610b BW te worden uitgegaan van het gemiddelde loon over de laatste drie maanden. In het geval van werkneemster gaat het dus om 24 maart tot en met 24 juni 2025. De kantonrechter veroordeelt werkgeefster aan werkneemster te betalen een bedrag van € 1.272,96 aan brutoloon over de periode 1 juni tot en met 24 juni 2025, een bedrag van € 302,78 aan bruto loon over de periode 25 juni tot en met 30 juni 2025, een bedrag van € 1.395,32 aan brutoloon over de periode 1 juli tot en met 20 juli 2025, een bedrag van € 537,20 aan brutoloon over de periode 22 juli tot en met 31 juli 2025, en vanaf augustus 2025 tot en met het einde van de arbeidsovereenkomst een bedrag van € 1.513,92 aan brutoloon per maand voor zolang werkneemster arbeidsongeschikt is, dan wel een bedrag van € 2.162,74 aan brutoloon per maand vanaf het moment dat zij weer arbeidsgeschikt is, alle bedragen te vermeerderen met 8% brutovakantiegeld en over de maanden juli tot en met november 2025 te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de verschuldigdheid van de respectieve loontermijnen, tot de dag van volledige betaling,
