Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/De Staat der Nederlanden
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:5732
Afwijzing gevorderde verklaring voor recht dat Staat jegens werkgever onrechtmatig heeft gehandeld wegens onrechtmatige rechtspraak van de Hoge Raad. Geen schending van Köbler-aansprakelijkheidsnorm.

Feiten

Werkgever exploiteert als franchisenemer een aantal vestigingen van (franchisegever) Domino’s Pizza. Werkgever heeft samen met circa 50 andere franchisenemers van Domino’s Pizza (hierna samen: de franchisenemers) geprocedeerd tegen Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel (hierna: het pensioenfonds). Het pensioenfonds voert een verplichtgestelde pensioenregeling uit in de zin van de Wet Bpf 2000 voor de sector detailhandel en int de premies van werkgevers die onder die regeling vallen. In de genoemde procedure stond de vraag centraal of de franchisenemers onder de werkingssfeer vallen van het Verplichtstellingsbesluit. De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat dit het geval is. De vorderingen van de franchisenemers zijn afgewezen. Zij hebben tegen het arrest van het hof cassatieberoep ingesteld. A-G Drijber heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De klachten van de franchisenemers zijn met toepassing van artikel 81 RO verworpen (zie AR 2022-1313). Werkgever vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade wegens onrechtmatige rechtspraak van de Hoge Raad. Volgens werkgever leidt het arrest van de Hoge Raad tot staatsaansprakelijkheid in de zin van het Köbler-arrest, omdat (1) de Hoge Raad geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de EU over de verenigbaarheid van het Verplichtstellingsbesluit met het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel en omdat (2) de Hoge Raad met de verkorte motivering op grond van artikel 81 RO het cassatieberoep heeft verworpen, zonder te motiveren waarom hij geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU.

Oordeel

De rechtbank oordeelt als volgt. Een lidstaat van de EU is op grond van het Unierecht aansprakelijk voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Unierecht die hem kunnen worden toegerekend. Uit het Köbler-arrest volgt dat voor het aannemen van staatsaansprakelijkheid vereist is dat: (1) het geschonden voorschrift van Unierecht ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen, (2) er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift, en (3) er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade. Uit vaste rechtspraak van het HvJ EU volgt sinds het Köbler-arrest dat deze aansprakelijkheid en voorwaarden ook gelden met betrekking tot de beslissing van een in laatste aanleg oordelende nationale rechter (de Hoge Raad), zij het dat de betrokken lidstaat (Nederland) daarvoor slechts aansprakelijk kan worden gehouden in het uitzonderlijke geval waarin die rechter het toepasselijke Unierecht kennelijk heeft geschonden. De rechtbank overweegt dat voldoende is gebleken dat het Unierecht geen enkele rol heeft gespeeld in de (cassatie)procedure. Geen van partijen heeft zich in de procedure op enig moment beroepen op het vrij verkeer van diensten/het Unierecht, laat staan dat een van partijen aan de Hoge Raad heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De A-G is in zijn conclusie evenmin op het Unierecht ingegaan. Dit was in dit geval ook logisch omdat de zaak überhaupt niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht viel. Het geschil tussen de franchisenemers en het pensioenfonds betrof immers een zuiver interne situatie, binnen één lidstaat (Nederland). Het ging om nationale pensioenregelgeving, terwijl het Verplichtstellingsbesluit ook geen uitvoering of implementatie van Unierecht betrof. Een aangelegenheid die niet onder de reikwijdte van het Unierecht valt, kan volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU ook niet alsnog met een beroep op rechtsbeginselen of fundamentele rechten onder de reikwijdte van het Unierecht worden gebracht. Dit betekent dat het Handvest niet van toepassing is. Tot slot is van belang dat als een kwestie niet binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, het HvJ EU volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is om daarover uitspraak te doen en de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag kunnen vormen voor die bevoegdheid. Kortom: (1) het Unierecht was niet van toepassing, (2) de Hoge Raad was niet gehouden ambtshalve aan het (in het Handvest neergelegde) Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel te toetsen en (3) niet verplicht om zo nodig prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, laat staan dat hij (4) gehouden was te motiveren waarom hij daartoe in dit geval geen aanleiding zag. Daarbij geldt tot slot dat, als de Hoge Raad al vragen zou hebben gesteld, aangenomen moet worden dat het HvJ EU deze vragen niet zou hebben beantwoord. Van onrechtmatige rechtspraak wegens schending van de Köbler-aansprakelijkheidsnorm is dus geen sprake. Afwijzing van de vorderingen volgt.