Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:681
Feiten
Werknemer en werkgever hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Werknemer wil dat zijn niet-genoten vakantiedagen, althans het nog onbetaald gebleven deel daarvan, worden uitbetaald op grond van een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van zijn dienstverband. Daarnaast vordert hij een deugdelijke loonstrook, wettelijke verhoging, rente en kosten. Werkgever weigert betaling en stelt dat de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst leiden tot overschrijding van de normen uit de Wet normering topinkomens (hierna: WNT), waardoor (een deel van) de afspraken nietig is en hij niet tot betaling verplicht is. Partijen zijn het eens over het aantal niet-genoten vakantiedagen (110 dagen) en het bedrag (circa € 60.000), waarvan ongeveer € 27.000 onbetaald is gebleven. Werknemer vordert in kort geding betaling van het resterende bedrag aan niet-genoten vakantiedagen, afgifte van een loonstrook, wettelijke verhoging, rente en kosten. Hij stelt dat sprake is van een duidelijke en opeisbare vordering uit de vaststellingsovereenkomst en dat er spoedeisend belang is vanwege zijn financiële situatie (WW-uitkering en uitblijven WWPlus-uitkering). Werkgever voert verweer en stelt dat betaling in strijd zou zijn met de WNT, omdat door loondoorbetaling zonder werkzaamheden de norm is overschreden en een deel van de overeenkomst nietig is.
Oordeel
De kantonrechter wijst de vorderingen af wegens het ontbreken van voldoende spoedeisend belang. Hoewel geldvorderingen in kort geding mogelijk zijn, moet het spoedeisend belang duidelijk aannemelijk worden gemaakt. In dit geval staat de vordering niet in hoge mate vast, omdat partijen twisten over de mogelijke overschrijding van de WNT en de (gedeeltelijke) nietigheid van de overeenkomst. Daarom gelden strengere eisen voor het spoedeisend belang. De door werknemer aangevoerde financiële situatie is onvoldoende, mede omdat hij een beëindigingsvergoeding van € 75.000 heeft ontvangen, deels vakantiedagen zijn uitbetaald en hij een WW-uitkering ontvangt. Bovendien is de WWPlus-uitkering inmiddels toegekend en zal betaling waarschijnlijk op korte termijn volgen. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van voldoende spoedeisendheid.
