Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 12 maart 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:1747
Driemaal te laat komen in zes maanden tijd is onvoldoende zwaarwegend om aan te merken als dringende reden voor ontslag op staande voet. Daarbij wegen persoonlijke omstandigheden werknemer (slaapproblemen dochter en spanningen binnen gezin) mee.

Feiten

Werknemer heeft van 29 augustus 2022 tot 4 maart 2023 in dienst van een uitzendbureau gewerkt bij werkgever. Aansluitend is hij in dienst getreden van werkgever. Hij heeft steeds gewerkt als gevelbehandelaar. Werkgever heeft werknemer bij brieven van 15 januari 2024, 14 februari 2025 en 4 juli 2025 waarschuwingen gegeven voor het niet op tijd aanwezig zijn op het werk. Bij brief van 15 augustus 2025 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij op 14 augustus 2025 ‘wederom zonder goede reden te laat op het werk was, wegens verslapen’. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast is komen te staan dat werknemer op 14 augustus 2025 wederom, na 12 februari 2025 en 4 juli 2025, zonder goede reden niet op tijd op het werk aanwezig was. Het betreft hier driemaal niet op tijd op het werk verschijnen in een periode van zes maanden. De kantonrechter oordeelt het driemaal niet op tijd op het werk verschijnen in de laatste zes maanden tegenover de jaren daarvoor waarin het goed ging, onvoldoende zwaarwegend om aan te merken als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Een minder vergaande sanctie was op zijn plaats. Daarbij weegt mee de door werknemer aangevoerde, en onweersproken, omstandigheden dat hij langere tijd slecht slaapt vanwege een dochter met slaapproblemen en dat er spanningen zijn in het gezin die hebben geleid tot een suïcidepoging van de echtgenote van werknemer op 3 september 2025. Aannemelijk is dat de zorgen over zijn dochter en de spanningen in het gezin hebben bijgedragen aan het niet op tijd verschijnen op het werk. Deze persoonlijke omstandigheden aan de zijde van werknemer komen weliswaar voor zijn rekening, maar wegen wel mee dat driemaal te laat komen in zes maanden tijd geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig gegeven. De verzochte verklaring die daarop ziet, wordt toegewezen. Werknemer heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding van € 5.333,69 bruto, de transitievergoeding van € 3.530,41 bruto en een billijke vergoeding van € 3.100 bruto. Bij de berekening van de billijke vergoeding gaat de kantonrechter uit van een inkomstenverlies tot 27 oktober 2025 (vanaf die datum heeft werknemer ander werk) en wordt het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever meegewogen.