Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 17 maart 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:1434
Feiten
Werkneemster is per 1 juli 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van bedrijfsleidster. Werkgeefster exploiteert een Ierse pub. Werkgeefster heeft, naar aanleiding van een waarschuwing van de boekhouder dat de marges te klein waren, met werkneemster gesproken in de tweede helft van 2024 en daarbij een aantal instructies gegeven. Omdat de marges niet verbeterden, heeft werkgeefster een bedrijf ingeschakeld om onderzoek te doen naar mogelijk frauduleus handelen. Uit het onderzoek is gebleken dat werkneemster meerdere keren nadat een klant contant had betaald, verkochte producten uit het kassasysteem had verwijderd. Dit geld werd in een aparte kas door werkneemster bewaard. Werkneemster heeft werkgeefster op 8 oktober 2025 verteld dat ze zwanger is. Op 16 oktober 2026 heeft werkgeefster werkneemster medegedeeld dat ze is ontslagen. Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet. Werkneemster stelt dat zij in opdracht van werkgeefster een zwarte kasstroom heeft gecreëerd, zodat met dat geld bijvoorbeeld inkopen of tijdelijk personeel contant konden worden betaald en dat dit buiten de boeken kon blijven. Ook stelt werkneemster dat het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven. Beslissend is daarbij het tijdstip waarop de feiten die het vermoeden van de dringende reden opleverde, ter kennis zijn gekomen van de tot het ontslag bevoegde persoon. Als er op dat moment nog twijfel bestaat over wat er is voorgevallen, moet het ontslag worden gegeven zodra die twijfel is verdwenen. Van een werkgever mag wel worden verwacht dat hij, alvorens daadwerkelijk tot ontslag over te gaan, de werknemer eerst de kans geeft zijn visie op het voorgenomen ontslag te geven. Daarna is verder uitstel van de definitieve beslissing alleen mogelijk als wettelijke of interne procedures moeten worden gevolgd, of nog verder onderzoek nodig is. Daarbij dient de werkgever zich steeds voldoende voortvarend op de hoogte te stellen van, ook tussentijdse, bevindingen uit het onderzoek. De mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. AL in juli 2025 heeft het onderzoeksbureau vastgesteld dat werkneemster een zwarte kasstroom creëerde. Werkgeefster heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom vervolgens het onderzoek nog tot medio oktober moest worden voortgezet, althans waarom aangenomen moet worden dat dit onderzoek met de vereiste voortvarendheid heeft plaatsgevonden. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en werkneemster heeft recht op loon tot het einde van het dienstverband. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%. Gezien de vertrouwensbreuk die is ontstaan door het handelen van werkneemster en het feit dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn wordt ontbonden, wordt het verzoek tot wedertewerkstelling afgewezen. In het verzoek worden de proceskosten gecompenseerd. In het tegenverzoek wordt het ontbindingsverzoek van werkgeefster toegewezen. Werkneemster heeft ernstig verwijtbaar gehandeld. Werkneemster heeft meermaals instructies gekregen over contant geld. De stelling van werkneemster dat zij het contante geld niet in eigen zak heeft gestoken maar heeft aangewend ten behoeve van de onderneming, doet niet af aan het verwijtbare karakter van haar handelwijze. De arbeidsovereenkomst wordt per 1 april 2026 ontbonden, herplaatsing ligt gelet op het verwijtbaar handelen van werkneemster niet in de rede. Aan werkneemster wordt geen transitievergoeding toegekend. Er wordt evenmin een billijke vergoeding toegekend. De proceskosten worden gecompenseerd. Het opzegverbod staat niet aan ontbinding in de weg, omdat de omstandigheden van de ontbinding niet zien op de zwangerschap waarop het opzegverbod betrekking heeft. In het tegenverzoek worden de proceskosten eveneens gecompenseerd.
