Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds 1 mei 2003 in dienst bij werkgever, laatstelijk als bedrijfsleider en onder meer verantwoordelijk voor voorraad- en kassabeheer. Zijn loon bedroeg € 1.913,82 bruto per maand voor gemiddeld 27,5 uur per week. Sinds 11 januari 2023 zijn de aandelen van de onderneming van werkgever overgedragen. Werknemer had sinds 2014 een eigen onderneming in de vorm van een webshop. Werknemer wordt op 28 oktober 2025 en op 16 december 2025 op staande voet ontslagen onder meer omdat hij gelden van klanten onder zich heeft gehouden in plaats van aan werkgever af te staan en omdat hij zonder toestemming korting aan een klant heeft gegeven. Ook zou hij tijdens werktijd drugs hebben gekocht en/of gebruikt. Werknemer verzoekt (i) een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, (ii) werkgever te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding en (iii) werkgever te veroordelen tot betaling van het loon, vakantiegeld en vakantiedagen. Werknemer stelt onder meer dat contante betalingen, het sturen van tikkies en het verrekenen van geldbedragen een gebruikelijke gang van zaken was binnen werkgever. Het was niet zijn bedoeling om gelden zelf te houden; er is hoogstens sprake geweest van een administratieve slordigheid. Werkgever is van oordeel dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en verzoekt een verklaring voor recht dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en werknemer te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en een schadevergoeding.
Oordeel
Ontvankelijkheid, vervaltermijn en toelaatbaarheid ingediende stukken
Werknemer is ontvankelijk in zijn verzoeken omdat hij het verzoekschrift binnen de geldende vervaltermijn heeft ingediend. Een op de dag voor de mondelinge behandeling door werknemer toegestuurde aanvullende productie wordt niet aan het dossier toegevoegd.
Ontslag op staande voet houdt stand
De kantonrechter wijst het verzoek van werknemer af omdat voldoende aannemelijk is dat hij gelden van klanten onder zich heeft gehouden in plaats van aan werkgever af te staan en daarnaast dat hij zonder toestemming van werkgever korting aan een klant heeft gegeven. Werknemer heeft daar – ook op het moment dat hij daartoe de gelegenheid heeft gekregen – geen (volledige) openheid van zaken over gegeven. Het ontslag is bovendien onverwijld gegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer het salaris over oktober 2025, het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen niet uitbetaald heeft gekregen. Werkgever doet echter een beroep op verrekening. Dit beroep slaagt.
Tegenverzoeken werkgever
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat hem daarom geen transitievergoeding toekomt. Ook oordeelt de kantonrechter dat de verzoeken van werknemer ten aanzien van achterstallig salaris, vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen door verrekening teniet zijn gegaan.
