Rechtspraak
Feiten
Werknemer is per 7 januari 2025 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van marketingmedewerker. Werknemer heeft zich op 8 mei 2025 ziek gemeld. Het salaris over mei en juni 2025 is niet aan werknemer uitbetaald. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 30 juni 2025 van rechtswege geëindigd. Werknemer vordert een bedrag aan achterstallig salaris, de wettelijke verhoging, het opstellen van een eindafrekening en een vergoeding wegens slecht werkgeverschap. Werkgever vordert een veroordeling van werknemer tot betaling van een bedrag van € 23.000 als voorschot op de door werkgever geleden schade. Werkgever voert aan dat werknemer vaak te laat kwam en posts op sociale media door AI liet opstellen. Klanten waren niet tevreden over het niveau van het werk van werknemer. Eén klant heeft geweigerd de facturen te voldoen en is naar een concurrent overgestapt. Werkgever heeft de klanten creditfacturen moeten sturen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat werknemer op z’n minst bewust roekeloos heeft gehandeld. Gesteld noch gebleken is dat werkgever werknemer op zijn gedrag heeft aangesproken of dat er bijvoorbeeld instructies of vereisten zijn gedeeld waaraan de socialemediaposts moesten voldoen. Tot slot heeft werkgever, ondanks de betwisting van werknemer, op geen enkele manier onderbouwd dat er klanten zijn vertrokken, dat die klanten zouden zijn vertrokken door het handelen van werknemer of dat hij zijn klanten creditfacturen heeft moeten sturen. De vordering van werkgever zal dus worden afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door werkgever aangevoerde gronden voor het niet betalen van het salaris, zoals de beweerderlijk door werknemer ontstane schade, geen reden om het salaris niet uit te betalen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 40%, omdat de kantonrechter het handelen van werkgever in hoge mate verwijtbaar vindt. Ook de transitievergoeding en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De door werknemer gevorderde vergoeding van € 2.500 vanwege slecht werkgeverschap wordt afgewezen. Werknemer heeft onvoldoende onderbouwd dat hij door het handelen van werkgever schade heeft geleden die niet al in de procedure voor vergoeding in aanmerking komt, zoals door middel van de wettelijke verhoging. De vordering tot verstrekking van loonstroken en een eindafrekening wordt toegewezen. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.
