Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor vlees, vleeswaren, gemaksvoeding en pluimveevlees/Presta Meat S.A.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:155
Beschermingsniveau waarin Nederlandse pensioenregels voorzien, ligt niet hoger dan dat van het door partijen gekozen Luxemburgse recht (art. 8 Rome I).

Feiten

Presta Meat S.A. (hierna: Presta) is een in Luxemburg gevestigde onderneming die overeenkomsten van opdracht sluit met opdrachtgevers in diverse landen van de Europese Unie. Daarbij verbindt zij zich tot het uitvoeren van arbeid ten behoeve van de verwerking van vlees en vleesproducten. Ter uitvoering van deze overeenkomsten van opdracht stelt zij werknemers van verschillende nationaliteiten te werk in de versvlees- en vleesbewerkende industrie. VLEP is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Deelneming in VLEP is verplicht gesteld bij besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 april 2009 en 3 juni 2013 (hierna gezamenlijk: het Verplichtstellingsbesluit). Onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit vallen onder meer werknemers die in dienst zijn van inleenbedrijven die in de regel voor meer dan 50% van de totale loonsom op basis van een overeenkomst van opdracht of van aanneming van werk arbeid laten verrichten binnen ondernemingen in de versvlees- en vleesbewerkende industrie. Presta heeft in de jaren 2012-2017 werknemers ter beschikking gesteld aan, en laten werken in, Nederlandse ondernemingen in de versvlees- en vleesbewerkende industrie (hierna: de werknemers). Volgens VLEP viel Presta in de periode 2012-2017 wat de werknemers betreft onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit. Zij heeft ambtshalve premienota’s aan Presta gestuurd. Presta heeft de premienota’s onbetaald gelaten. VLEP heeft daarop een dwangbevel in de zin van artikel 21 lid 1 Wet Bpf 2000 tegen Presta uitgevaardigd (hierna: het dwangbevel). Presta vordert in deze procedure primair dat haar verzet tegen het dwangbevel gegrond wordt verklaard en dat het dwangbevel buiten effect wordt gesteld, en subsidiair dat de vordering van VLEP op nihil wordt gesteld, althans wordt beperkt. In reconventie vordert VLEP onder meer betaling door Presta van hetgeen met het dwangbevel wordt gevorderd. De kantonrechter heeft in conventie de vordering van Presta afgewezen en in reconventie de vordering van VLEP toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof bij de toepassing van artikel 8 Rome I heeft miskend en ten onrechte niet heeft onderzocht of het beschermingsniveau waarin de Nederlandse regels van dwingend arbeidsrecht voorzien hoger ligt dan de regels van het door de partijen gekozen Luxemburgse arbeidsrecht. De zaak is verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Voorrangsregel

VLEP heeft aangevoerd dat de verplichte deelneming aan de pensioenregeling van VLEP op grond van de Wet Bpf 2000 in verbinding met het Verplichtstellingsbesluit een regel van bijzonder dwingend recht is die moet worden toegepast ongeacht het in dit geval gekozen Luxemburgs recht (art. 9 Rome I). Het hof is van oordeel dat van een voorrangsregel in de zin van artikel 9 Rome I geen sprake is. Het is juist dat de verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds in de Nederlandse arbeidsverhoudingen van groot belang en van grote betekenis is, maar daarmee is de Wet Bpf 2000 in verbinding met het Verplichtstellingsbesluit nog geen voorrangsregel; ook niet in gevallen als de onderhavige waarin de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is.

Biedt het Nederlandse recht meer bescherming dan het Luxemburgse recht?

Het hof overweegt dat de jaarlijkse opbouw aan pensioenaanspraken voor de werknemers hoger is onder de Luxemburgse pensioenregeling dan onder VLEP. De pensioenpremie in Luxemburg bedraagt 24%, terwijl op grond van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat de pensioenpremie van VLEP in de jaren waarom het gaat ergens tussen de 19 en 26% zat. Het belangrijkste verschil tussen beide stelsels is dat in Luxemburg premie wordt betaald over het volledige brutoloon, terwijl in Nederland premie wordt betaald over het pensioengevend loon minus de franchise. Gelet op het loon dat de werknemers ontvangen, moet er rekening mee worden gehouden dat er bij VLEP slechts aanspraken worden opgebouwd over ruwweg de helft van het brutoloon. Kortom, het is het hof niet gebleken dat het beschermingsniveau waarin de Nederlandse pensioenregels voorzien voor de werknemers hoger ligt dan dat van het door de partijen gekozen Luxemburgse recht.

Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat (1) het bestreden vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd, (2) de vordering van Presta tot terugbetaling van wat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan VLEP heeft betaald zal worden toegewezen, (3) de vorderingen van VLEP zullen worden afgewezen en (4) VLEP zal worden veroordeeld in de proceskosten van de feitelijke instanties.