Naar boven ↑

Rechtspraak

UAB Marvel Solar Energy/werknemer
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 13 maart 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:1334
Loonvordering vrachtwagenchauffeur (afkomstig uit Tadzjikistan) in dienst van Litouws transportbedrijf toegewezen. Chauffeur verblijft op parkeerplaats langs Nederlandse snelweg in cabine van vrachtwagen werkgever en beroept zich rechtsgeldig op retentierecht.

Feiten

Werknemer (afkomstig uit Tadzjikistan) is op 2 juli 2025 als vrachtwagenchauffeur in dienst getreden bij UAB Marvel Solar Energy (hierna: Marvel), een transportbedrijf uit Litouwen. Werknemer stelt een loonvordering op Marvel te hebben. Om zijn vordering kracht bij te zetten, heeft werknemer op 6 februari 2026 de vrachtwagen waarin hij reed geparkeerd op een parkeerplaats langs een Nederlandse snelweg. Sindsdien verblijft hij in de cabine van de vrachtwagen. Werknemer beroept zich daarbij op een retentierecht. Marvel is een kort geding gestart, waarin zij vordert dat werknemer de aan Marvel in eigendom toebehorende vrachtwagen moet verlaten, op straffe van een dwangsom. Werknemer heeft een tegenvordering ingesteld, gericht op (een voorschot op) achterstallige loonbetalingen. 

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Partijen hebben aangegeven dat zij de zaak in haar geheel graag beoordeeld willen zien door een Nederlandse rechter. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat partijen de Nederlandse rechter als bevoegde rechter hebben aangewezen. Partijen hebben op grond van artikel 3 lid 1 Rome I gekozen voor Nederlands recht. Op grond van artikel 8 lid 1 Rome I geldt wel de nuancering dat de rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 er niet toe kan leiden dat een werknemer de bescherming verliest die hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van artikel 8 Rome I toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze. In dit geval valt de kantonrechter terug op het vestigingscriterium van artikel 8 lid 3 Rome I. De vestiging van Marvel die werknemer in dienst heeft genomen, bevindt zich in Litouwen, zodat Litouws recht van toepassing zou zijn geweest. Het nauwe band-criterium uit artikel 8 lid 4 Rome I leidt niet tot een andere conclusie. De conclusie is dat werknemer bescherming geniet van arbeidsrechtelijke bepalingen uit Litouws recht waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken.

Loonvordering

Werknemer stelt dat hij 1348 uur heeft gewerkt, zonder dat in die uren rusttijd is verwerkt, en dat hij een bruto-uurloon heeft van € 10,48 met aanvullend een verhoging van € 4 per gewerkt uur op grond van de Detacheringsrichtlijn. Marvel heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist. De loonvordering op dit punt komt neer op een brutobedrag van (€ 14,48 x 1348 uur) € 19.519,04. Ook heeft werknemer recht op de daggeldvergoeding uit de arbeidsovereenkomst, hetgeen in totaal neerkomt op € 13.054 netto. Tot slot overweegt de kantonrechter in het kader van de loonvordering nog het volgende. Het is een feit dat de kantonrechter niet kan overzien of er naar Litouws recht (dwingendrechtelijke) arbeidsrechtelijke regelgeving bestaat waaraan werknemer bescherming kan ontlenen op grond van artikel 8 lid 1 Rome I. Partijen hebben op dit punt geen inlichtingen verstrekt. De kantonrechter heeft erover nagedacht of dit feit zou maken dat de door werknemer ingestelde vordering niet geschikt zou zijn om in kort geding te behandelen. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. Bij dit oordeel is ten eerste doorslaggevend geweest dat de vordering van werknemer volledig wordt toegewezen. Daarnaast geldt dat het ongerijmd zou zijn dat werknemer zou worden geconfronteerd met een afwijzing van zijn vordering op de enkele grond dat hij mogelijk meer bescherming zou kunnen ontlenen aan enkele bepalingen uit het Litouwse recht. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dat niet de bedoeling zijn.

Vordering tot teruggave voertuig

Marvel vordert teruggave van haar voertuig. Werknemer beroept zich op het retentierecht. De kantonrechter overweegt dat een noodzakelijk vereiste voor een rechtsgeldig inroepen van een retentierecht het bestaan van een opeisbare vordering van de schuldeiser (werknemer) op de schuldenaar (Marvel) betreft. Gelet op de loonvordering van werknemer op Marvel is hieraan voldaan. Daarnaast is in dit geval sprake van voldoende connexiteit tussen de verbintenissen over en weer. De op Marvel rustende verbintenis tot betaling van loon vloeit rechtstreeks voort uit de arbeidsovereenkomst. De op werknemer rustende verbintenis die hem verplicht tot teruggave van het voertuig aan Marvel vloeit ook – in ieder geval mede – voort uit de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van de proportionaliteit heeft Marvel aangevoerd dat de loonvordering van werknemer een veel lagere waarde vertegenwoordigt dan de marktwaarde die het voertuig van Marvel vertegenwoordigt. Dat is op zichzelf juist, maar het betekent niet noodzakelijkerwijs dat de opschorting door werknemer daarmee disproportioneel is. De kantonrechter weegt hierbij mee dat nauwelijks voorstelbaar is dat voor werknemer andere zaken voorhanden waren waarop hij een retentierecht zou kunnen uitoefenen. De conclusie is dat werknemer het retentierecht rechtsgeldig heeft ingeroepen. Afwijzing van de vordering van Marvel volgt.