Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 5 maart 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:2031
Opschorting concurrentiebeding van 3,5 jaar in dienst zijnde senior developer; salarisstijging van 37% en betere doorgroeimogelijkheden wegen zwaarder dan onvoldoende onderbouwd belang werkgever. Relatiebeding blijft in stand.

Feiten

Werknemer is op 11 juli 2022 in dienst getreden bij werkgever als senior developer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst is verwezen naar het Arbeidsvoorwaardenreglement (AVR), dat als bijlage was bijgevoegd. In dit AVR zijn een concurrentiebeding, een relatiebeding en een boetebeding opgenomen. Bij overtreding verbeurt werknemer een eenmalige boete van € 10.000 en € 1.000 per dag dat de overtreding voortduurt. Op 19 november 2025 maakte werknemer kenbaar bij bedrijf X in dienst te willen treden, waarna werkgever hem direct liet weten hem aan de bedingen te zullen houden. Werknemer zegde de arbeidsovereenkomst op per 1 januari 2026. Bij brief van 1 december 2025 bevestigde werkgever de handhaving van de bedingen en verstrekte hij een lijst van relaties en concurrenten, waarop bedrijf X als concurrent is opgenomen. Werknemer vordert primair schorsing van zowel het concurrentie- als het relatiebeding totdat in een bodemprocedure is beslist, alsmede een verbod voor werkgever om gedurende die schorsing aanspraak te maken op de boeteclausule. Subsidiair vordert hij een billijke vergoeding van € 1.000 bruto per maand voor de duur van de beperking. Aan zijn vorderingen legt hij ten grondslag dat de bedingen niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen wegens schending van het schriftelijkheidsvereiste en dat hij bij handhaving onbillijk wordt benadeeld. Werkgever stelt dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan, omdat het AVR voorafgaand aan ondertekening aan werknemer is verstrekt en de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk naar de bedingen verwijst. Tot slot voert zij aan dat bedrijf X een directe concurrent is en dat werknemer over concurrentiegevoelige informatie beschikt waarmee werkgevers bedrijfsdebiet kan worden geschaad.

Oordeel

Ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste oordeelt de kantonrechter dat daaraan is voldaan. Het AVR is werknemer tijdens de sollicitatieprocedure toegestuurd, de inhoudsopgave vermeldt expliciet het concurrentie- en relatiebeding en in de arbeidsovereenkomst heeft werknemer uitdrukkelijk verklaard akkoord te gaan met deze bedingen. Dat hij de betreffende bepalingen mogelijk niet zorgvuldig heeft gelezen, doet daaraan niet af. De bedingen zijn dus rechtsgeldig overeengekomen. Verder acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat bedrijf X als concurrent van werkgever moet worden beschouwd, nu beide bedrijven actief zijn in de M365-dienstverlening voor deels dezelfde klanten.

Na afweging van de belangen schorst de kantonrechter het concurrentiebeding. Werknemer heeft een aanzienlijk belang: een salarisstijging van 37%, betere doorgroeimogelijkheden en meer inhoudelijk passende werkzaamheden. Daar tegenover heeft werkgever onvoldoende concreet onderbouwd dat werknemer beschikt over bedrijfsspecifieke of concurrentiegevoelige kennis die bedrijf X een daadwerkelijk voordeel zou opleveren. Het meenemen van algemene kennis en ervaring valt niet onder aantasting van het bedrijfsdebiet. Mede gelet op het relatief korte dienstverband van 3,5 jaar acht de kantonrechter het voldoende waarschijnlijk dat de bodemrechter het concurrentiebeding zal vernietigen. Werkgever wordt tevens verboden gedurende de schorsing aanspraak te maken op de boeteclausule.

Het relatiebeding blijft in stand. Werkgever heeft een zwaarwegend belang bij bescherming van zijn klantenkring, nu werkgever en bedrijf X deels dezelfde klanten bedienen. Bovendien heeft werknemer ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen handhaving van het relatiebeding als hij bij bedrijf X in dienst kan treden. De nevenvordering tot verbod op de boeteclausule bij het relatiebeding wordt eveneens afgewezen. Nu werknemer heeft verklaard dat het relatiebeding zijn indiensttreding bij bedrijf X niet in de weg staat en hij er financieel op vooruit gaat, heeft hij zijn belang bij een vergoeding van € 1.000 per maand onvoldoende onderbouwd.