Rechtspraak
Feiten
C.M., die een handicap heeft, is sinds 2016 leerkracht in vaste dienst. Zij oefent haar functie uit in Ostiglia, dat in de provincie Mantova gelegen is. In 2017 is zij voor 70% blijvend gehandicapt verklaard door het bevoegde gezag. In het kader van het Italiaanse mobiliteitsprogramma heeft C.M. overplaatsing gevraagd naar een andere provincie. Deze overplaatsing is afgewezen, omdat de vacante plaatsen reeds door interne kandidaten van die provicie waren vervuld. C.M. betoogt dat de mobiliteitsregeling van het personeel van openbare scholen, op grond waarvan verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie pas na behandeling van verzoeken om overplaatsing binnen de provincie kunnen worden onderzocht, een belemmering vormt voor de doeltreffendheid van de bescherming die elke persoon met een handicap van meer dan twee derde krachtens artikel 21 van wet nr. 104/1992 geniet. Zij stelt dat een dergelijke persoon als gevolg van die regeling slechts aanspraak kan maken op de overblijvende posten in de gewenste provincie. Doordat de fase van het mobiliteitsproces waarin wordt gekeken naar mobiliteit binnen de provincie wordt opgevolgd door de fase waarin wordt gekeken naar mobiliteit tussen provincies, kunnen, wanneer de verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie worden onderzocht, de aanvankelijk in te vullen posten reeds zijn ingevuld op basis van verzoeken om overplaatsing binnen de provincie van leerkrachten zonder handicap, waardoor de voorrang die wordt toegekend aan leerkrachten die onder artikel 21 van die wet vallen, wordt uitgehold. Verzoekster in het hoofdgeding is bijgevolg van mening dat zij op grond van haar status als persoon met een handicap, die zij krachtens artikel 21 had moeten krijgen, absolute voorrang op het gebied van mobiliteit moet krijgen, zoals leerkrachten die blind zijn of hemodialyse nodig hebben.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Abstracte voorrangsregels (voor mensen met 2/3 handicap) vormen geen 'passende maatregelen' in de zin van artikel 5 Richtlijn 2000/78/EG
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat wanneer een werknemer ten gevolge van een handicap blijvend ongeschikt wordt om zijn functie te vervullen, zijn aanstelling in een andere functie een passende maatregel kan vormen in het kader van de in artikel 5 bedoelde redelijke aanpassingen, aangezien die werknemer daardoor zijn baan kan behouden alsook volledig, effectief en op voet van gelijkheid met de andere werknemers kan deelnemen aan het beroepsleven (zie in die zin HvJ EU 10 februari 2022, HR Rail, C-485/20 P, ECLI:EU:C:2022:85, punten 41 en 43). De mogelijkheid om een persoon met een handicap in een andere functie aan te stellen bestaat echter alleen wanneer er ten minste één vacante functie bestaat die de betrokken werknemer kan vervullen (HvJ EU 18 januari 2024, Ca Na Negreta, C-631/22, ECLI:EU:C:2024:53, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu gaat het onderzoek van verzoeken om mobiliteit binnen een provincie overeenkomstig artikel 465, lid 1, van wetsbesluit nr. 297, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, CCNI, vooraf aan het onderzoek van verzoeken om mobiliteit tussen provincies. Krachtens artikel 21 van wet nr. 104/1992 wordt op het gebied van mobiliteit voorrang verleend aan personen met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde. Het is juist dat, zoals uit de punten 54 tot en met 58 van het onderhavige arrest blijkt, het begrip „redelijke aanpassingen” in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2000/78/EG ruim moet worden opgevat, in die zin dat het ziet op alle maatregelen om in een concrete situatie tegemoet te komen aan de behoeften van een persoon met een handicap. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals die is uiteengezet in de punten 59 en 60 van het onderhavige arrest, lijkt echter te voorzien in maatregelen met een algemeen en abstract karakter en kan dus niet worden geacht te voorzien in maatregelen die ten aanzien van de betrokken persoon met een handicap worden genomen „naargelang de behoefte in een concrete situatie” in de zin van artikel 5. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat de voorrang op het gebied van mobiliteit waarin deze nationale regeling voorziet, automatisch aan de betrokken personen wordt verleend afhankelijk van de categorie van hun handicap, met name de graad van hun invaliditeit, zonder dat er in voorkomend geval in een concrete situatie rekening wordt gehouden met hun specifieke behoeften. Hieruit volgt dat deze voorrang op het gebied van mobiliteit niet kan worden geacht te voorzien in „redelijke aanpassingen” in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2000/78/EG, hetgeen de verwijzende rechter niettemin dient na te gaan.
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5 van Richtlijn 2000/78/EG aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, aangezien die regeling, doordat er geen rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap in concrete situaties, niet onder het begrip „redelijke aanpassingen” in de zin van die bepaling valt.
Geen sprake van indirecte discriminatie
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt, blijkt daarentegen dat C.M. ten opzichte van leerkrachten zonder handicap in een situatie verkeert die op zijn minst voordelig is, aangezien zij op grond van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorrang geniet op het gebied van mobiliteit, terwijl die leerkrachten daar geenszins voor in aanmerking komen, daar zij uitsluitend kunnen solliciteren naar vacatures die overblijven nadat alle prioritaire verzoeken zijn ingewilligd. Voorts ondervinden alle leerkrachten, ongeacht of zij een handicap hebben of niet, die om overplaatsing naar een andere provincie verzoeken, negatieve gevolgen van de regel dat verzoeken om mobiliteit binnen een provincie worden onderzocht vóór verzoeken om mobiliteit tussen provincies, aangezien na de behandeling van de verzoeken om overplaatsing binnen een provincie het aantal beschikbare functies om aan de verzoeken om overplaatsing naar een andere provincie te voldoen, aanzienlijk afneemt. Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet worden geacht C.M. ten opzichte van leerkrachten zonder handicap „bijzonder te benadelen” in de zin van artikel 2, lid 2, onder b van Richtlijn 2000/78/EG en kan zij dus evenmin worden geacht een indirect op de handicap gebaseerd verschil in behandeling in de zin van die bepaling te vormen. Bij gebreke van een dergelijke „bijzondere benadeling” hoeft dan ook niet te worden nagegaan of die regeling kan worden gerechtvaardigd door het doel om de mobiliteit van leerkrachten op het gehele nationale grondgebied te waarborgen met het oog op de aanvang van het schooljaar, en evenmin of de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder b sub i van die richtlijn.
Onderscheid binnen de groep?
Er zij echter op gewezen dat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen betoogt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar een positieve actie is in de zin van artikel 7 van die richtlijn, maar een verschil in behandeling invoert afhankelijk van de handicap van de betrokken personen. Krachtens artikel 13, lid 1, punt I, CCNI krijgen personen die blind zijn of hemodialyse nodig hebben absolute voorrang op het gebied van mobiliteit, in de zin dat die voorrang betrekking heeft op zowel verzoeken om mobiliteit binnen een provincie als verzoeken om mobiliteit tussen provincies. Daarentegen hebben personen met een handicap met een invaliditeitsgraad van meer dan twee derde volgens artikel 13, lid 1, punt III, CCNI slechts een zogenoemde „relatieve” voorrang, aangezien deze alleen betrekking heeft op verzoeken om mobiliteit binnen een provincie. In dit verband moet echter worden vastgesteld dat de verwijzende rechter geen specifieke gegevens verstrekt op grond waarvan de context of de redenen voor het onderscheid tussen de verschillende categorieën personen met een handicap dat uit deze bepalingen voortvloeit, kunnen worden beoordeeld. Dienaangaande is het zo dat het in Richtlijn 2000/78/EG neergelegde beginsel van gelijke behandeling bedoeld is om een werknemer met een handicap in de zin van die richtlijn te beschermen tegen elke vorm van discriminatie op grond van die handicap, niet alleen ten opzichte van werknemers die geen handicap hebben, maar ook ten opzichte van andere werknemers met een handicap (HvJ EU 26 januari 2021, Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, C-16/19, ECLI:EU:C:2021:64, punt 36). Wanneer een werknemer minder gunstig wordt behandeld dan een andere werknemer in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld en wanneer in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval blijkt dat dit gebeurt op basis van de handicap van deze eerste werknemer – aangezien de ongunstige behandeling gebaseerd is op een criterium dat onlosmakelijk met deze handicap verbonden is –, is een dergelijke behandeling namelijk in strijd met het verbod van directe discriminatie van artikel 2, lid 2, onder a van die richtlijn (Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny Zakład Opieki Zdrowotnej w Krakowie, punt 48). Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat directe discriminatie op grond van een van de in artikel 1 van Richtlijn 2000/78/EG bedoelde gronden, zoals handicap, kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 2, lid 5 van Richtlijn 2000/78/EG of op grond van artikel 7, lid 1 van die richtlijn (zie in die zin HvJ EU 22 januari 2019, Cresco Investigation, C-193/17, ECLI:EU:C:2019:43, punt 52). Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een eventuele rechtvaardiging moet worden onderzocht in het licht van het door de betrokken regeling beoogde doel (zie in die zin Cresco Investigation, punten 54 en 66). In casu kan het Hof, bij gebreke van voldoende informatie over het beoogde doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zich niet uitspreken over de vraag of de situaties van de verschillende categorieën personen met een handicap vergelijkbaar zijn in de zin van de in punt 80 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak. Om diezelfde reden kan het Hof evenmin beoordelen of een dergelijke regeling kan worden gerechtvaardigd op grond van de in punt 81 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen.
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder b van Richtlijn 2000/78/EG aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling inzake territoriale en arbeidsmobiliteit die aan bepaalde leerkrachten met een handicap voorrang verleent op het gebied van mobiliteit ten opzichte van leerkrachten zonder handicap en voorrang geeft aan mobiliteit binnen een provincie boven mobiliteit tussen provincies, geen indirecte discriminatie in de zin van die bepaling oplevert ten nadele van leerkrachten die hebben verzocht om overplaatsing naar een andere provincie.
