Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 14 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:526
Feiten
Werknemer trad op 16 augustus 1993 in dienst bij Berki als monteur buitendienst voor 40 uur per week. In zijn arbeidsovereenkomst was een concurrentiebeding opgenomen met een looptijd van vijf jaar na einde dienstverband, geldend binnen een straal van 100 km, op straffe van een boete van f 20.000 per overtreding en f 500 per dag. Per 1 januari 2013 werd hij bevorderd tot projectleider. Op 5 januari 2024 werd de arbeidsovereenkomst schriftelijk aangepast: de werkweek ging van 40 naar 36 uur, waarbij partijen verwezen naar de overige voorwaarden uit de oorspronkelijke overeenkomst van 1993. Na de verkoop van Berki aan Smeba per 1 oktober 2024 werd werknemer mondeling meegedeeld dat hij niet langer als projectleider zou fungeren, met uitzondering van twee aflopende projecten. In september 2025 mailde hij diverse klanten en leveranciers van Berki om zijn vertrek aan te kondigen en zijn nieuwe werkgever te noemen. Op 28 augustus 2025 zegde hij zijn dienstverband op per 1 oktober 2025 en trad hij in dienst bij Safe Control B.V., een directe concurrent van Berki. Berki sommeerde hem zich aan het concurrentiebeding te houden, betaalde het loon over september 2025 en de eindafrekening niet uit en legde op 10 december 2025 conservatoir bewijsbeslag op zijn bescheiden. In conventie vordert werknemer schorsing van het concurrentiebeding en betaling van het achterstallig loon over september 2025 (inclusief bonus, stand-by-vergoeding, overuren en vakantiegeld). Hij stelde primair dat het concurrentiebeding zijn geldigheid had verloren doordat het na zijn benoeming tot projectleider niet opnieuw schriftelijk was overeengekomen. Berki stelde onder meer dat het concurrentiebeding rechtsgeldig was gebleven – mede door de schriftelijke herbevestiging in januari 2024.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat een concurrentiebeding zijn geldigheid verliest wanneer er sprake is van een ingrijpende, niet-voorzienbare wijziging van de arbeidsverhouding én het beding daardoor aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. De overgang van monteur buitendienst naar projectleider werd als ingrijpend gekwalificeerd. Waar werknemer aanvankelijk uitvoerende technische werkzaamheden verrichtte op klantlocaties, groeide zijn rol als projectleider uit tot een leidinggevende positie met klantcontact, leveranciersrelaties, aansturing van onderaannemers en eindverantwoordelijkheid voor projecten. Deze ontwikkeling was in 1993 niet voorzienbaar – temeer nu werknemer als enige monteur ooit tot projectleider werd bevorderd. Door zijn uitgebreidere functie treft het beding nu een veel groter deel van zijn arbeidsmarktpositie dan in 1993 het geval was. Handhaving zou hem ernstig belemmeren in het vinden van een gelijkwaardige werkkring, met bijbehorende taken, status en inkomen. Het beding had bij de functiewijziging in 2013 opnieuw schriftelijk moeten worden overeengekomen. Dat is niet gebeurd. De brief van 5 januari 2024 kon niet gelden als het alsnog rechtsgeldig overeenkomen van het concurrentiebeding voor de functie van projectleider. Die brief regelde enkel de teruggang naar 36 uur en verwees algemeen naar de voorwaarden uit de overeenkomst van 1993 – die betrekking had op de functie van monteur buitendienst. Aan de wezenlijk gewijzigde functie werd geen aandacht besteed. De kantonrechter schorst het concurrentiebeding met onmiddellijke ingang en veroordeelt Berki onder meer tot betaling van het achterstallig loon over september 2025.
