Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/De Staat der Nederlanden
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 24 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:1719
Nieuw recht op loonbetaling tijdens ziekte voor 104 weken door onderbreking van langer dan vier weken waarin werkneemster volledig werkzaam is geweest. Verklaring van de bedrijfsarts dat de medische beperkingen al jaren een rol spelen, is te vaag en te algemeen om doorlopende arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 januari 1997 in dienst bij het team Kanton van de rechtbank Rotterdam, laatstelijk in de functie van junior gerechtsjurist. De rechtbank Rotterdam maakt onderdeel uit van de rechterlijke macht die op zijn beurt onderdeel is van de Staat der Nederlanden. Werkneemster is op 30 mei 2023 arbeidsongeschikt geraakt. Per 16 september 2024 is werkneemster door de arbo-arts volledig arbeidsgeschikt geacht en hersteld gemeld. Vanaf die datum heeft zij haar werkzaamheden weer verricht. Sinds (in ieder geval) 1 januari 2025 is werkneemster weer arbeidsongeschikt. Op 28 oktober 2025 schrijft de bedrijfsarts in een advies het volgende: ‘(…) op basis van de inmiddels beschikbare medische informatie en anamnese is me duidelijk geworden dat haar medische beperkingen al sinds jaren een rol spelen en zeker sinds begin van dit jaar de verklaring zijn voor haar verminderde functioneren, niet op afspraken verschijnen, etc.’ Vervolgens is tussen partijen discussie ontstaan over de vraag of werkneemster tussen 16 september en 31 december 2024 arbeidsongeschikt moet worden geacht. De Staat meende van wel en heeft werkneemster daarom meermaals verzocht een WIA-uitkering aan te vragen (omdat volgens haar de wachttijd doorlopen was). Met ingang van 2 januari 2026 heeft de Staat het loon van werkneemster stopgezet, omdat zij nog steeds geen WIA-uitkering had aangevraagd. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werkneemster hervatting van de loonbetaling en betaling van het achterstallig loon. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat – door een onderbreking van meer dan vier weken – een nieuwe loondoorbetalingstermijn van 104 weken is gaan lopen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Kern van de zaak is of werkneemster zonder deugdelijke grond nalaat een WIA-aanvraag in te dienen, en daardoor geen recht heeft op loon. Daarvoor moet beantwoord worden of aannemelijk is dat een nieuw recht op loondoorbetaling tijdens ziekte voor een periode van 104 weken is ontstaan of dat er, vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, sprake is geweest van doorlopende arbeidsongeschiktheid. Uitgangspunt bij ziekte is dat het in beginsel de werknemer is die bepaalt of hij al dan niet (meer) arbeidsongeschikt is. Vervolgens is het aan de werkgever om, na daartoe ingewonnen advies van een bedrijfsarts, te beoordelen of hij een ziek- of hersteldmelding al dan niet accepteert. Is de werkgever het met het standpunt van de werknemer, ingeval dat wordt ondersteund door de bedrijfsarts, niet eens dan ligt het op de weg van de werkgever om een deskundigenoordeel bij het UWV te vragen. Dit laatste heeft de Staat niet gedaan. Anders dan de Staat ziet de kantonrechter in de bewoordingen van het advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2025 onvoldoende basis om binnen het bestek van dit kort geding aan te nemen dat er vanaf 30 mei 2023 sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid van werkneemster. De constatering in bedoeld rapport dat haar medische beperkingen al sinds jaren een rol spelen en zeker sinds begin van dit jaar de verklaring zijn voor haar verminderde functioneren, zijn daartoe te vaag en algemeen. Hierbij wordt betrokken dat vast staat dat werkneemster op 16 september 2024 door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt is verklaard. Op vragen van de kantonrechter heeft de Staat verklaard dat een uitgebreide periode van opbouw van werkzaamheden daaraan vooraf is gegaan. Vervolgens heeft werkneemster sinds 16 september 2024 haar volledige uren in het team gedraaid, wat niet is weersproken. Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat het er voorshands voor gehouden moet worden dat er een onderbreking van minstens vier weken is geweest en er een nieuwe loondoorbetalingsperiode van 104 weken is gaan lopen per 1 januari 2025. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat werkneemster zonder deugdelijke grond nalaat een WIA-aanvraag te doen. De loonstop die de Staat heeft doorgevoerd is daarom onterecht. De conclusie is dan ook dat de Staat veroordeeld zal worden tot doorbetaling van het loon. Over het achterstallige loon is de Staat de (gematigde) wettelijke verhoging van 25% verschuldigd.