Rechtspraak
Feiten
Werkgevers zijn uitleenbureaus die arbeidskrachten ter beschikking stellen aan organisatie A (hierna: A) door middel van hierover met organisatie A gesloten raamovereenkomsten. Organisatie A is een op 30 mei 1975 bij Verdrag opgerichte internationale, intergouvermentele organisatie. X is op 1 januari 2001 bij werkgever in dienst getreden en op die datum bij organisatie A tewerkgesteld. Bij brief van 29 november 2023 is X ervan op de hoogte gebracht dat de opdracht bij organisatie A op 1 januari 2024 zou eindigen, als gevolg waarvan de werkzaamheden ophouden en de detachering bij organisatie A wordt beëindigd. Tussen partijen is gecorrespondeerd over het toepassen van de artikelen 8 en 8a Waadi, maar zij hebben daar geen overeenstemming over bereikt. X stelt dat hij in het kader van payrolling door werkgever c.s. aan organisatie A ter beschikking is gesteld op basis van een payrollovereenkomst. Hij was werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie als werknemers in dienst van organisatie A, zodat hij op grond van artikel 8a lid 1 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) ten minste recht heeft op dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor de werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst bij organisatie A. Indien de kantonrechter mocht oordelen dat er geen sprake is van payrolling dan baseert X zijn vorderingen op artikel 8 Waadi. Werkgevers hebben primair als verweer gevoerd dat deze artikelen niet van toepassing zijn omdat niet vaststaat dat organisatie A onder de reikwijdte valt van het begrip onderneming zoals gedefinieerd in artikel 1 sub e Waadi jo. artikel 1 lid 1 sub c van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). De internationale ambtenaren worden persoonlijk benoemd door organisatie A. Zij hebben geen arbeidsovereenkomst noch een publiekrechtelijke aanstelling, aldus werkgever c.s.
Oordeel
Niet in geschil tussen partijen lijkt te zijn dat organisatie A kan worden aangemerkt als een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband. Ook lijkt niet in geschil tussen partijen te zijn dat de ambtenaren van organisatie A hun arbeid niet verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst. Zij worden op grond van artikel XII lid 3 sub b van het organisatie A-Verdrag benoemd door de directeur-generaal. Rest de vraag of binnen organisatie A arbeid wordt verricht krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van de WOR. De definitie van het begrip onderneming in artikel 1 lid 1 c WOR is op 13 april 2015 aangepast. Op die datum is tussen de woorden ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘arbeid’ ingevoegd: of krachtens publiekrechtelijke aanstelling (Stb. 1995, 231). Deze toevoeging strekt ertoe om (ook) de medezeggenschap van nagenoeg het hele overheidspersoneel onder het regiem van de WOR te brengen. De toevoeging krachtens publiekrechtelijke aanstelling heeft tot gevolg dat een organisatorisch samenwerkingsverband, zoals een ministerie, een gemeente, een provincie en een waterschap als een ‘onderneming’ in de zin van de WOR kunnen worden aangemerkt waarvoor een ondernemingsraad kan worden ingesteld. Dit geldt ook voor andere samenwerkingsverbanden bij de overheid die zich naar buiten als een zelfstandige eenheid presenteren, zoals bijvoorbeeld het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen, een gemeentelijke sociale dienst en een dienst gemeentewerken (Kamerstukken II 1993/94, 23551, nr. 3 (MvT) (herdruk), p. 1-3). Uit het bovenstaande volgt dat de publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR betrekking heeft op ambtenaren die voor de Nederlandse overheid arbeid verrichten. Dat het hierbij om de Nederlandse overheid gaat, vindt ook bevestiging in de Ambtenarenwet 1929, zoals die ten tijde van de wijziging van artikel 1 lid 1 sub c WOR van toepassing was. Organisatie A betreft geen Nederlands overheidsorgaan, zodat organisatie A-ambtenaren hun arbeid niet verrichten krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR. Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat ook in het geval aansluiting zou worden gezocht bij het begrip overheidswerkgever in het later in werking getreden artikel 2 lid 1 Ambtenarenwet 2017, dit niet tot een ander oordeel zou leiden. Nu organisatie A-ambtenaren hun arbeid niet verrichten krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR, is organisatie A geen onderneming in de zin van dit artikel, zodat de artikelen 8 en 8a Waadi niet van toepassing zijn. Dit brengt met zich dat X geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde verklaringen voor recht en dat al zijn vorderingen op werkgever worden afgewezen.
