Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Gemeente Amsterdam
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 januari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:957
Verzoek werkneemster Gemeente Amsterdam tot herstel arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid toegewezen, de Gemeente heeft zich onvoldoende ingespannen voor herplaatsing.

Feiten

Werkneemster is per 15 juni 2017 in dienst getreden bij de Gemeente Amsterdam (hierna: Gemeente). Werkneemster is per 19 oktober 2021 arbeidsongeschikt geworden. In april 2024 heeft het UWV werkneemster een WIA-uitkering toegekend. In augustus 2024 heeft werkneemster voor het laatst de bedrijfsarts bezocht. In september 2024 heeft werkneemster haar leidinggevende bericht dat zij haar werkzaamheden wilde hervatten. De leidinggevende heeft werkneemster weggestuurd en heeft aangegeven een hersteldmelding niet te accepteren, en dat hij eerst advies wilde van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft een 26e-week verklaring afgelegd in verband met de ontslagtoets. De Gemeente heeft een ontslagvergunning bij het UWV ingediend. Werkneemster heeft hier verweer tegen gevoerd. Ook heeft werkneemster een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Het UWV heeft de Gemeente in december 2024 toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Werkneemster heeft eveneens een klacht ingediend tegen het UWV. In januari 2025 heeft werkneemster aangifte tegen de bedrijfsarts gedaan wegens valsheid in geschrifte. De Gemeente heeft de arbeidsovereenkomst op 6 januari 2025 per 4 februari 2025 opgezegd. Het UWV heeft de klachtonderdelen van werkneemster over schending van beginselen van hoor- en wederhoor en over zorgvuldigheid gegrond verklaard. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: RTG) heeft de klacht van werkneemster tegen de bedrijfsarts in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Werkneemster heeft medegedeeld hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van het RTG. Werkneemster verzoekt een verklaring voor recht dat is opgezegd in strijd met artikel 7:669 en 7:671 BW, herstel van de arbeidsovereenkomst, betaling van het salaris en een veroordeling van de Gemeente om haar toe te laten tot de werkzaamheden. Subsidiair heeft werkneemster om een billijke vergoeding van ongeveer € 1,6 miljoen verzocht.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster was al ruim drie jaar ziek zonder dat re-integratie had plaatsgevonden, toen zij zich op 14 september 2024 ineens en in één keer volledig beter meldde. Voorstelbaar was dan ook dat de Gemeente in verband met gerede twijfel over de herstelmelding een beoordeling door de bedrijfsarts wenste. Werkneemster is echter niet meer op afspraken van de bedrijfsarts verschenen. Evenmin heeft zij een second opinion laten uitvoeren. Haar betoog dat een second opinion niet nodig was omdat de ‘Verklaring 26e week ontslagtoets’ geen ‘first opinion’ vormde, wordt niet gevolgd. Juist omdat werkneemster het er niet mee eens was én zij zich plots volledig hersteld had gemeld, lag het op haar weg dat van een deskundig oordeel te voorzien. De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat de bedrijfsarts actueel en adequaat beoordeeld heeft dat werkneemster nog arbeidsongeschikt was en dat het niet aannemelijk was dat zij binnen 26 weken hersteld zou zijn en haar werk (al dan niet in aangepaste vorm) zou kunnen verrichten. Daarmee was voldaan aan de eisen van de b-grond. De gegronde klacht bij het UWV over geschonden hoor en wederhoor en zorgvuldigheid doet niet af aan de geldigheid van de beschikking van het UWV om toestemming te verlenen. De kantonrechter stelt vast dat er geen re-integratie heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen aanleiding te veronderstellen dat werkneemster hersteld was. De kantonrechter volgt echter niet het standpunt van de Gemeente dat werkneemster gedurende haar drie jaar ziekte welhaast elke poging tot re-integratie vanuit de Gemeente heeft gefrustreerd of getorpedeerd. Namens werkneemster is betoogd dat de onmogelijkheid van herplaatsing niet aannemelijk is gemaakt. Dat is uitgebreid gemotiveerd en daarnaast onderbouwd aan de hand van destijds openstaande vacatures. De Gemeente heeft hierover bij verweerschrift geen standpunt ingenomen. De Gemeente heeft dus geen enkel verweer gevoerd. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling is desgevraagd meegedeeld dat bij 1700 arbeidsplaatsen een plek te vinden zou moeten zijn, ook bij een arbeidsgeschiktheidspercentage van (nog geen) 27%. Bij die stand van zaken kan de kantonrechter niet anders oordelen dan dat de Gemeente niet aannemelijk heeft gemaakt dat herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De Gemeente heeft niet aan haar herplaatsingsplicht voldaan. De arbeidsovereenkomst wordt hersteld. De Gemeente wordt veroordeeld het maandloon vanaf april 2025 aan werkneemster te voldoen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%.  Werkneemster wordt veroordeeld de betaalde transitievergoeding terug te betalen aan de Gemeente. De Gemeente wordt in de proceskosten veroordeeld.