Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:2771
Feiten
Werkneemster is sinds 2 januari 2023 in dienst bij werkgeefster. In de periode van november 2024 tot februari 2025 spraken partijen over de overname van werkgeefster door werkneemster. Op 2 februari 2025 heeft werkneemster aan werkgeefster laten weten haar niet te willen overnemen en dat zij bereid is de mogelijkheden van een overname per 1 januari 2026 verder te onderzoeken na haar zwangerschap. Op 27 maart 2025 heeft werkneemster zich ziekgemeld. Het zwangerschapsverlof van werkneemster sloot aan op deze ziekmelding. Op 4 augustus 2025 keerde werkneemster terug van haar zwangerschapsverlof. Op 6 augustus 2025 heeft werkneemster zich wederom ziekgemeld. Sindsdien heeft zij geen werkzaamheden meer verricht. In de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 29 augustus 2025 staat dat er geen sprake is van ziekte maar van een conflict met werkgeefster. Werkneemster verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c BW met toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Werkneemster verwijt werkgeefster dat zij tijdens het overnametraject onder druk zou zijn gezet, dat er niet professioneel is gereageerd op haar (medische) toestand, dat de functie van werkneemster eenzijdig is gewijzigd van directeur naar teammanager, dat bonussen onterecht niet zijn uitbetaald, dat zij is gediscrimineerd en dat niet is meegewerkt aan mediation. Hierdoor kon een arbeidsconflict ontstaan. Werkgeefster heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, aldus steeds werkneemster.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Aangezien werkgeefster berust in het ontbindingsverzoek van werkneemster, wordt dit verzoek als onweersproken toegewezen. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, als gevolg waarvan werkneemster terecht aanspraak maakt op de transitievergoeding en billijke vergoeding. De kantonrechter overweegt dat gebleken is dat partijen het verloop vanaf september 2024 tot en met augustus 2025 compleet anders hebben ervaren. In de kern was werkneemster in de veronderstelling dat zij tot directeur zou worden aangesteld ongeacht het overnametraject en ongeacht haar zwangerschap en voelt ze zich geschoffeerd door werkgeefster, terwijl werkgeefster in de veronderstelling was dat vanwege de zwangerschap van werkneemster het overnametraject niet op het goede moment kwam en zij haar werkzaamheden als teammanager vanwege haar gezondheidstoestand in een passende omgeving wilde voortzetten. Als verzoekende partij dient werkneemster haar verzoeken te stellen en (nader) te onderbouwen. Voor de stellingen van werkneemster is echter geen steun te vinden in de door partijen overgelegde stukken. Dat er druk is uitgeoefend op werkneemster tijdens het overnametraject, kan uit de stukken niet worden opgemaakt. Hetzelfde geldt voor de overige verwijten die werkneemster werkgeefster maakt. De kantonrechter kan ook die verwijten niet vaststellen. Werkgeefster heeft stukken overgelegd en omstandigheden aangevoerd waaruit soms zelfs het tegendeel is af te leiden, terwijl het op de weg van werkneemster ligt haar stelling dat ze ernstig gediscrimineerd en geschoffeerd is door werkgeefster (nader) te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Verder is de kantonrechter wel gebleken dat mediation niet goed van de grond kwam, maar uit de stukken blijkt niet dat dit in (ernstige) mate te wijten is aan de houding van werkgeefster. Er heeft na 2 februari 2025 überhaupt geen goed gesprek meer plaatsgevonden tussen partijen. Dit is aan beide partijen te wijten, maar in ieder geval niet in ernstige mate aan werkgeefster. De kantonrechter kan op grond van het voorgaande niet vaststellen dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster. Afwijzing van de verzochte vergoedingen volgt.
