Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/A & Stichting B
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 11 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:525
Verstekvonnis in kort geding. Loonvordering van werknemers wordt toegewezen.

Feiten

Werknemer X en werknemer Y stellen dat zij op respectievelijk 14 februari 2024 en 1 november 2023 in dienst zijn getreden bij een stichting B, onder leiding van A. Niet duidelijk was of dit bij de eenmanszaak van A was, bij B.V. C of bij de stichting. B.V. C en de eenmanszaak zijn per 1 oktober 2025 ontbonden en uitschreven uit de Kamer van Koophandel. Werknemer X en werknemer Y hebben zich ziek gemeld. Werknemer X en werknemer Y hebben vanaf 1 november 2025 geen loon meer ontvangen. Werknemer X en werknemer Y vorderen in dit kort geding om A en stichting B te veroordelen onder andere tot betaling van hun loon. A en stichting B hebben hiertegen geen verweer gevoerd.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, zodat tegen A en de stichting verstek zal worden verleend. Omdat er geen verweer is gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van werknemer X en werknemer Y, tenzij de vorderingen hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Als onweersproken staat vast dat A en stichting B het loon vanaf november 2025 niet aan werknemer X en werknemer Y hebben betaald. De kantonrechter zal hen daarom veroordelen tot betaling van de verschuldigde loonbetalingen, inclusief het achterstallig salaris als gevorderd, en ook het loon voor iedere maand waarin werknemer X en werknemer Y wegens ziekte arbeidsongeschikt zijn, zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. De vorderingen zijn zowel tegen A als tegen stichting B ingesteld. Werknemer X en werknemer Y stellen dat zij in dienst zijn getreden bij stichting B onder leiding van A, maar dat het niet duidelijk was of dit bij stichting B was of bij de eenmanszaak van A of bij B.V. C. De onduidelijkheid die is ontstaan komt, naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter, voor rekening en risico van A en stichting B, zodat de kantonrechter de vorderingen (hoofdelijk) toewijsbaar acht tegen beide partijen.