Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 9 februari 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:717
Feiten
Werknemer is per 16 februari 1997 in dienst getreden bij de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: RUG) en was laatstelijk werkzaam in de functie van domeinmanager. Op 25 september 2023 vond een R&O-gesprek plaats. Daarin is het functioneren van werknemer als onvoldoende beoordeeld. Domeinmanagers hadden geen vertrouwen meer in werknemer en willen hun projecten niet meer door hem laten leiden. Werknemer kon zich niet vinden in het door de RUG aangeboden verbeterplan, en heeft kritiek op zijn functioneren, zoals zijn tekortschieten in het initiëren van projecten, meermaals betwist en naast zich neergelegd. Partijen hebben vervolgens over een beëindigingsovereenkomst gesproken. In april 2025 heeft de RUG het ontbindingsverzoek ingediend. De kantonrechter heeft het beroep op het opzegverbod wegens lidmaatschap van de U-raad verworpen, omdat de omstandigheden die ten grondslag liggen aan het ontbindingsverzoek zich laten abstraheren van de omstandigheden die aan het opzegverbod ten grondslag liggen. Volgens de kantonrechter zijn er voldoende feiten op basis waarvan de RUG kon concluderen dat werknemer onvoldoende functioneert. Gelet op de stelling van werknemer dat de RUG zijn verleden moest vergeten, lag herplaatsing volgens de kantonrechter niet in de rede. In hoger beroep voert werknemer aan dat zijn beroep op het opzegverbod ten onrechte is afgewezen en dat er geen sprake was van een voldragen d-grond.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de RUG voldoende heeft aangetoond dat de kritiek op het functioneren van werknemer vanaf 13 september 2021 uitsluitend betrekking had op zijn werkzaamheden als projectmanager. Tijdens de R&O-gesprekken daarover speelde het lidmaatschap van de U-raad geen rol. Het voorgaande wordt niet anders door een opmerking van de technisch directeur in haar verklaring van 12 december 2025, die bij het verweerschrift in hoger beroep is gevoegd en is geschreven nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Daarin schrijft zij dat zij vond dat werknemer niet rolvast was tussen zijn functie als projectleider en als U-raadslid. De projectleider was niet de leidinggevende van werknemer en deze visie van haar, wat daar ook van zij, ligt niet als omstandigheid ten grondslag aan het ontbindingsverzoek. Die visie is ook niet aan de orde gekomen tijdens de gesprekken over het functioneren van werknemer, waarbij het steeds ging over zijn vakinhoudelijke werkzaamheden. Het beroep van werknemer op de Wet bescherming klokkenluiders gaat niet op, omdat werknemer onvoldoende heeft aangevoerd dat er sprake zou zijn geweest van een overstijgend maatschappelijk belang. De RUG heeft voldoende argumenten aangevoerd voor het beoordelen van het functioneren van werknemer als onvoldoende. Duidelijk is dat werknemer het daarmee niet eens is, maar hij heeft geen concrete feiten aangedragen of bewijs aangeboden dat, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Duidelijk is ook dat werknemer niet kon accepteren dat zijn bedenkingen niet hebben geleid tot een andere beoordeling, waarna hij geen gehoor vond bij de Geschillencommissie. In het verbeterplan staat in heldere taal omschreven wat er bij verschillende competenties niet goed gaat, wat verbeterd moet worden en waarin dat concreet tot uiting moet komen. Daaruit wordt eens temeer duidelijk waarom het functioneren volgens de RUG onvoldoende was. Het verbeterplan voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Gelet op de onrealistische eisen die werknemer aan herplaatsing heeft gesteld, ligt herplaatsing niet meer in de rede. De arbeidsovereenkomst is terecht ontbonden, aan de zijde van de RUG is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
