Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:763
Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag en doorbetaling van loon, stellende dat haar arbeidsovereenkomst na stilzwijgende voortzetting is overgegaan in een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Feiten

Werkneemster is op 6 november 2023 voor bepaalde tijd (tot 30 juni 2024) in dienst getreden bij werkgeefster als locatiebeheerder, met een arbeidsomvang van 12 uur per week. De arbeidsovereenkomst is daarna tweemaal stilzwijgend verlengd, eerst tot 23 februari 2025 en daarna tot 19 oktober 2025. Werkneemster heeft zich op 1 december 2024 ziek gemeld en heeft vanaf dat moment geen werkzaamheden meer verricht. Op 8 oktober 2025 heeft een medewerker van werkgeefster via WhatsApp aan werkneemster bericht dat eerder een aangetekende brief was verzonden. Als bijlage werd een brief van 23 september 2025 meegestuurd, waarin werkgeefster meedeelde dat zij had besloten de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die afloopt op 5 november 2025 niet te verlengen. Daarbij is vermeld dat er nog een eindafrekening zou volgen. Werkneemster heeft via WhatsApp gereageerd dat zij geen melding had ontvangen van aangetekende post, dat zij niet akkoord ging met de gang van zaken en dat verzending te laat was, ongeacht de datum op de brief. Werkgeefster heeft op 10 november 2025 een bedrag van € 296,07 netto aan werkneemster betaald. De gemachtigde van werkneemster heeft bij brief van 27 oktober 2025 aan werkgeefster geschreven dat de arbeidsovereenkomst inmiddels voor onbepaalde tijd zou zijn en aanspraak gemaakt op loonbetaling en nakoming van re-integratieverplichtingen. Op 29 december 2025 heeft werkgeefster nog € 637,53 netto (transitievergoeding) en € 555,19 netto (loon tot 19 oktober 2025) aan werkneemster betaald. Werkneemster verzoekt vernietiging van het aan haar gegeven ontslag per 5 november 2025. Zowel bij wijze van voorlopige voorziening als in de hoofdzaak verzoekt zij werkgeefster te veroordelen tot betaling van het salaris vanaf 19 oktober 2025 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente. Tevens verzoekt zij verstrekking van salarisspecificaties vanaf oktober 2025 en veroordeling van werkgeefster in de proceskosten. Werkneemster stelt dat na 19 oktober 2025 een vierde arbeidsovereenkomst is ingegaan die op grond van de ketenregeling van rechtswege is overgegaan in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens haar is er geen sprake van een rechtsgeldige beëindiging, nu zij niet heeft ingestemd met opzegging, geen toestemming van het UWV is verkregen en het opzegverbod bij ziekte geldt. Werkgeefster voert verweer en stelt dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege is geëindigd op 19 oktober 2025. Zij heeft expliciet tegenspraak gedaan tegen een stilzwijgende verlenging. De in de aanzeggingsbrief genoemde einddatum van 5 november 2025 berust volgens haar op een administratieve fout. Er is sprake van een aanzegging en geen opzegging, zodat het opzegverbod bij ziekte niet van toepassing is.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege. Dit is alleen anders indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tijd wordt voortgezet en de werkgever de aanzegverplichting niet is nagekomen of indien de arbeidsovereenkomst door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet. Voor stilzwijgende voortzetting is vereist dat werkneemster uit verklaringen of gedragingen van werkgeefster redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de wil van werkgeefster was gericht op voortzetting van het dienstverband. Werkgeefster heeft werkneemster per brief laten weten dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Werkneemster heeft dit bericht op 8 oktober 2025 via WhatsApp ontvangen. Hoewel de aanzegging te laat is gedaan, is deze wel vóór de einddatum van 19 oktober 2025 ontvangen. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst per die datum is geëindigd. De gebruikte bewoordingen in de brief passen bij een aanzegging en niet bij een opzegging. Dat in de brief per ongeluk een verkeerde einddatum is genoemd, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van stilzwijgende voortzetting. Ook het feit dat werkneemster op 30 oktober 2025 nog een consult bij de bedrijfsarts had, maakt dit niet anders.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 oktober 2025 is geëindigd. Alle verzoeken van werkneemster in de hoofdzaak worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat de aanzegging werkneemster te laat heeft bereikt, zodat werkgeefster een aanzegvergoeding verschuldigd is. Omdat werkneemster hierom niet heeft verzocht, kan deze vergoeding niet worden toegewezen. Het verzoek om voorlopige voorzieningen wordt afgewezen, nu de hoofdzaak wordt beslist. De proceskosten in de hoofdzaak komen voor rekening van werkneemster, omdat zij in het ongelijk is gesteld.