Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 2 februari 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:1005
Feiten
Werknemer is per 1 mei 2025 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van algemeen fysiotherapeut. In oktober 2025 heeft werknemer werkgeefster medegedeeld dat hij één dag per week minder wilde gaan werken. Werkgeefster heeft daarmee ingestemd. Werkgeefster heeft werknemer geïnformeerd dat het basissalaris naar rato werd aangepast en dat te veel ontvangen loon in de daaraan voorafgaande maanden zou worden verrekend. Werknemer heeft het standpunt ingenomen dat het over november 2025 uitbetaalde loon lager was dan het bedrag dat werkgeefster had moeten betalen, en heeft werkgeefster in gebreke gesteld. Vervolgens heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat werkgeefster er ten onrechte van uit is gegaan dat partijen een variabel loon zijn overeengekomen. Werknemer vordert veroordeling van werkgeefster tot betaling van 70% van het overeengekomen minimumloon zolang zijn arbeidsongeschiktheid voortduurt en een bedrag van € 10.000 vermeerderd met rente en kosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang staat vast, omdat werknemer sinds oktober 2025 aanzienlijk minder loon ontvangt dan de maanden daarvoor, waarbij vaststaat dat hij hierdoor in de financiële problemen komt. De vorderingen van werknemer worden afgewezen, omdat het voor de kantonrechter in kort geding allerminst vaststaat dat werknemer in een bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld. Partijen interpreteren de bepalingen in de arbeidsovereenkomst op verschillende wijze. Volgens werknemer is € 3.750 per maand een garantieloon, terwijl volgens werkgeefster sprake is van een voorschot dat na afloop van ieder kwartaal wordt verrekend. Volgens werkgeefster is de eerste twee maanden niet afgerekend omdat werknemer moest worden ingewerkt. De kantonrechter ziet in de ingebrachte e-mailcorrespondentie steun voor de stelling dat partijen welbewust een arbeidsovereenkomst met een variabel loon zijn overeengekomen. Werknemer heeft immers instemmend gereageerd met een door werkgeefster aangekondigde verrekening. Er bestaat te veel twijfel over de juistheid van de stelling van werknemer dat hij met ingang van november 2025 recht heeft op € 3.750 per maand. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
