Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 2 februari 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:864
Het verweer tegen het gestelde spoedeisende belang vanwege het tijdsverloop tussen 31 december 2023 en het moment dat werkneemster deze procedure is begonnen, wordt verworpen. Het enkele tijdsverloop maakt niet dat daardoor het spoedeisend belang is komen te vervallen.

Feiten

Werkneemster is op 15 maart 2014 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van werkgeefster. Partijen hebben deze arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 juli 2023 door middel van een vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2023. Partijen zijn daarin overeengekomen dat werkgeefster uiterlijk op 31 december 2023 aan werkneemster een beëindigingsvergoeding van € 6.400 bruto en de eindafrekening zal betalen. Op 21 juni 2023 heeft werkgeefster aan werkneemster de eindafrekening verstrekt. Werkneemster heeft werkgeefster meermaals gesommeerd/aangemaand om aan haar de beëindigingsvergoeding en de eindafrekening te betalen. Tot op heden heeft werkgeefster alleen het loon van € 4.293,67 netto over de maand april 2023 aan werkneemster betaald. Werkneemster vordert in kort geding betaling van de beëindigingsvergoeding en de eindafrekening minus het al betaalde loon over de maand april.

Oordeel

De vordering van werkneemster bestaat grotendeels uit achterstallig loon. Het is vaste jurisprudentie dat een loonvordering in het algemeen naar haar aard een spoedeisend belang met zich brengt. Werkneemster heeft aangevoerd dat het uitblijven van de betalingen van werkgeefster voor financiële problemen heeft gezorgd bij de financiering van een geplande woningrenovatie en nog steeds een negatieve impact heeft op de financiële planning en bedrijfsvoering van haar eigen bedrijf. Ook heeft werkneemster aangevoerd dat werkgeefster blijkbaar betalingsproblemen heeft. Werkneemster vreest daarom dat werkgeefster binnenkort failliet gaat. Aangezien werkgeefster tegen deze stellingen van werkneemster geen verweer heeft gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. Het enige verweer dat werkgeefster tegen het gestelde spoedeisende belang heeft aangevoerd is het tijdsverloop tussen 31 december 2023 en het moment dat werkneemster deze procedure heeft gestart. Dit verweer verwerpt de kantonrechter. Dit enkele tijdsverloop maakt namelijk niet dat daardoor het spoedeisend belang van werkneemster is komen te vervallen. De kantonrechter weegt ten slotte in het nadeel van werkgeefster mee dat er voor wat betreft de gevorderde hoofdsommen geen sprake is van een restitutierisico, aangezien werkgeefster de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsommen erkent. Tegen de hoofdsommen en de wettelijke rente daarover heeft werkgeefster geen inhoudelijk verweer gevoerd. Deze worden toegewezen, waarbij de wettelijke rente wordt toegewezen met ingang van 1 januari 2024 aangezien werkgeefster op grond van de vaststellingsovereenkomst met ingang van die datum in verzuim verkeert met de betaling.