Naar boven ↑

Rechtspraak

Bpf Vervoer/X
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 28 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2969
Tussenuitspraak. Verzet tegen dwangbevel Bpf (art. 21 lid 5 Wet Bpf 2000). Bpf moet toelichten welk bedrag toewijsbaar is gelet op het niet volledig geleverde bewijs.

Feiten

X is ingeschreven geweest in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als eigenaar van eenmanszaak ‘X Transportbemiddeling en Transport’. De vader van X was sinds 1 oktober 2005 ingeschreven als gevolmachtigde, met een volledige volmacht. De vader van X is ingeschreven geweest in het handelsregister als eigenaar van de eenmanszaak met handelsnaam ‘Administratie-Belastingadviezen X’ en met handelsnaam ‘Administratie Belastingadvies X DWT Transportbemiddeling’. X was sinds 1 oktober 2005 ingeschreven als gevolmachtigde, met een volledige volmacht. De vader van X is overleden op 11 april 2018. Voor personen die op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn geweest bij de onderneming van X is deelneming in Bpf Vervoer verplicht gesteld. Bpf Vervoer heeft op 29 april 2022 een dwangbevel van 16 april 2021 laten betekenen aan X en is overgegaan tot invordering van premies over de jaren 2004 t/m 2009, 2012/2013 en de periode van juli 2015 t/m mei 2018, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, voor een bedrag van in totaal € 123.676,78. X is in verzet gekomen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In het vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat X terecht en op goede gronden protest heeft aangetekend tegen het door Bpf Vervoer uitgevaardigde dwangbevel van 16 april 2021. De kantonrechter heeft X tot goed opposant verklaard en het dwangbevel van 16 april 2021 buiten effect gesteld. Bpf Vervoer heeft hoger beroep ingesteld.

Verdere beoordeling

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 12 maart 2024 overwogen dat op Bpf Vervoer de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de verschuldigdheid van de bedragen die zij op grond van het dwangbevel invordert. Het hof heeft Bpf Vervoer toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat en zo ja, welke personen op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van de onderneming van X zijn geweest. Het hof heeft in het tussenarrest van 13 mei 2025 overwogen dat het heeft begrepen dat de bewijslevering moet zien op [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D]. Het hof begrijpt uit de aanvullende memorie van Bpf Vervoer dat die overweging juist is. Het hof komt, op basis van alle voorhanden bewijsmiddelen, tot het oordeel dat Bpf Vervoer is geslaagd in de bewijslevering voor wat betreft [persoon A], [persoon B] en [persoon D]. Voor wat betreft [persoon C] is Bpf Vervoer niet geslaagd in de bewijslevering.

Gevolgen bewijswaardering

X heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter het dwangbevel van 16 april 2021 buiten werking stelt en dat Bpf Vervoer wordt verplicht tot terugbetaling van de ten laste van hem geëxecuteerde bedragen. De kantonrechter heeft de vordering om het dwangbevel buiten werking te stellen toegewezen. Het hof is van oordeel dat het dwangbevel deels niet juist is (voor zover het betrekking heeft op [persoon C], [persoon E], [persoon F], [X], [persoon G] en [persoon H]). Dat leidt ertoe dat de kantonrechter naar het oordeel van het hof het dwangbevel terecht buiten effect heeft gesteld. Het hof is voornemens het bestreden vonnis op dat onderdeel te bekrachtigen. Het hof is voorts van oordeel dat er geen rechtsgeldige titel was voor de door Bpf Vervoer getroffen executiemaatregelen. Bpf Vervoer is verplicht de geëxecuteerde bedragen aan X terug te betalen. De kantonrechter heeft die vordering afgewezen. Het hof is voornemens het bestreden vonnis op dat onderdeel te vernietigen en die vordering alsnog toe te wijzen. Bpf Vervoer dient een akte te nemen waarin zij inzichtelijk maakt welk bedrag voor welke werknemer verschuldigd is. Bpf Vervoer dient in die akte een uitsplitsing te maken per persoon per jaar.