Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 3 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:59
Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Vordering billijke vergoeding wegens ernstige verwijtbaarheid werkgeefster.

Feiten

Werknemer is na twee jaar arbeidsongeschiktheid met toestemming van het UWV ontslagen. Hij vordert in hoger beroep een billijke vergoeding, omdat hij werkgeefster verwijt dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij niet adequaat op zijn medische klachten heeft gereageerd en hem onvoldoende heeft begeleid. Verder maakt werknemer aanspraak op de maximale transitievergoeding, uitbetaling van zijn verlofsaldo en vakantiebijslag, gefixeerde vergoeding wegens niet in acht genomen opzegtermijn, onbetaald gelaten bonussen en volledige vergoeding van juridische kosten. De kantonrechter heeft de billijke vergoeding afgewezen en de overige vorderingen (deels) toegewezen, met uitzondering van de volledige proceskosten. Werknemer is het met de afwijzing van de billijke vergoeding en volledige proceskostenveroordeling niet eens en vermeerdert in hoger beroep zijn eis en grondslag van zijn vorderingen: billijke vergoeding € 333.127 bruto, schadevergoeding € 220.580,54, juridische kosten PM € 30.643,64, restant verschuldigde betaling € 81.129,99 bruto en jubileumuitkering. Werkgeefster heeft om diverse redenen bezwaar gemaakt tegen de door werknemer in hoger beroep vermeerderde eis.

Oordeel

Grieven

Werknemer stelt dat de kern van zijn bezwaren ziet op het feit dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzochte billijke vergoeding niet zal worden toegewezen, omdat niet althans niet voldoende, is komen vast te staan dat hij zich door toedoen van werkgeefster definitief ziek heeft moeten melden, en dat de juridische kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat er geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door werkgeefster. Werkgeefster heeft volgens werknemer ernstig verwijtbaar gehandeld door (i) haar re-integratieverplichtingen ernstig te veronachtzamen, zij heeft niet voldaan aan de herhaalde adviezen en verzoeken van de bedrijfsarts; (ii) de arbeidsovereenkomst onregelmatig op te zeggen, zonder inachtneming van de opzegtermijn; en (iii) ondanks herhaalde sommaties, een aanzegging van de deurwaarder en bankbeslag, tot op heden niet te voldoen aan de beschikking, waardoor hij weer op hoge kosten wordt gejaagd.

Billijke vergoeding en schadevergoeding

Het hof oordeelt dat in deze procedure vaststaat dat het ontstaan van de aandoening in geen enkel verband staat met de werkzaamheden. Een billijke vergoeding kan dus slechts aan de orde zijn, als zou moeten worden geoordeeld dat de werkgever ernstig verwijtbaar tekort is geschoten ten aanzien van zijn re-integratieverplichtingen. Het woord “ernstig” geeft aan dat de drempel hoog is. Van ernstig verwijtbaar schenden van de re-integratieverplichtingen is niet al sprake als kan worden geoordeeld dat de werkgever niet altijd optimaal heeft gehandeld. Met andere woorden: de omstandigheid dat de werkgever sommige dingen in het re-integratietraject beter anders had kunnen/moeten aanpakken, is daarvoor niet voldoende. Voor het oordeel dat werkgeefster die hoge drempel gehaald heeft, heeft werknemer onvoldoende gesteld. Voor een billijke vergoeding is daarom geen plaats. Dit betekent volgens het hof dat een schadevergoeding ex artikel 7:658 BW niet van toepassing is omdat niet is gebleken dat de aandoening van werknemer samenhangt met of het gevolg is van de uitoefening van zijn werkzaamheden voor werkgeefster. Ook kan niet worden geoordeeld dat werkgeefster in strijd heeft gehandeld met de vereisten van goed werkgeverschap.

Conclusie en proceskosten

Het hof bekrachtigt de bestreden eindbeschikking, behoudens voor wat betreft de proceskosten van de procedure in eerste aanleg. Omdat in de bestreden tussenbeschikking geen te executeren beslissingen zijn opgenomen, heeft het hof in het dictum geen beslissing opgenomen ten aanzien van die beschikking. Het hof heeft werkgeefster als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.