Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 februari 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:274
Feiten
In deze zaak gaat het om de vraag of werkneemster haar handtekening heeft gezet onder een vaststellingsovereenkomst. In het tussenarrest van 21 oktober 2025 heeft het hof (onder andere) beslist dat partijen zich op 18 november 2025 konden uitlaten over het voornemen van het hof een forensisch schriftexpert en documentdeskundige te benoemen en Ada Groep werd belast met het hiervoor te betalen voorschot. Op 15 oktober 2025 is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Ada Groep is opgehouden te bestaan. Ada Groep heeft er in haar akte van 18 november 2025 op gewezen dat zij geen baten meer heeft. Er zijn daarom geen middelen aanwezig voor het beoogde forensisch deskundigenonderzoek naar de handtekening van werkneemster. Ada Groep heeft als producties bij deze akte gevoegd het origineel van de vaststellingsovereenkomst van 2 augustus 2018, het origineel van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, scans/kopieën van het rijbewijs en de Nederlandse identiteitskaart van werkneemster, een kopie/scan van een eerdere arbeidsovereenkomst van werkneemster met haar werkgever Imrezorg met daarop haar handtekening, alsmede een koopovereenkomst aangegaan door werkneemster op 2 juli 2013 met daarop haar handtekening. Ada Groep wijst erop dat de handtekeningen van werkneemster in vorm, lengte en opbouw sterk variëren. Ada Groep handhaaft haar stelling dat de handtekening op de aangeleverde vaststellingsovereenkomst van werkneemster is.
Oordeel
Vaststellingsovereenkomst
Het hof oordeelt als volgt. Ada Groep is niet in het bewijs geslaagd dat werkneemster haar handtekening heeft gezet onder een vaststellingsovereenkomst, nu de inschakeling van de deskundige zoals in het tussenarrest was bepaald niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat Ada Groep het betreffende voorschot niet heeft betaald. Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat het niet voor de hand ligt dat werkneemster heeft ingestemd met de vaststellingsovereenkomst en het hof blijft daarbij. Daarom gaat het hof ervan uit dat de dienstbetrekking tussen partijen nog niet is geëindigd.
Goed werkgeverschap
Werkneemster baseert haar vordering tot uitbetaling van de transitievergoeding op de Xella-jurisprudentie. Werkneemster heeft op 25 maart 2025 aan Ada Groep verzocht de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Op dat moment was werkneemster ruim langer dan twee jaar arbeidsongeschikt zonder dat er een uitzicht bestond op herstel. Het door Ada Groep geen gevolg geven aan dat verzoek betekent dat Ada Groep handelt in strijd met het goed werkgeverschap, als gevolg waarvan werkneemster aanspraak heeft op een transitievergoeding. Werkneemster vordert verder uitbetaling van haar toekomende vakantiedagen. Het hof is van oordeel dat Ada Groep handelt in strijd met het op haar rustende goed werkgeverschap door het werkneemster tegen te werpen dat de openstaande vakantiedagen niet hoeven te worden uitbetaald vanwege het bepaalde in artikel 7:640 BW. Het is juist Ada Groep die steeds heeft aangevoerd dat het dienstverband wel is geëindigd.
