Naar boven ↑

Rechtspraak

Cleaning & Filling Barneveld B.V./J&S Holding II B.V., werknemer c.s.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 26 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:595
De voorzieningenrechter wijst inzageverzoek af wegens gebrek aan spoedeisend belang, maar laat het bewijsbeslag in stand en schorst het concurrentie- en relatiebeding van werknemer niet omdat daarvoor nadere bewijslevering nodig is.

Feiten

Werknemer A was sinds 1979 werkzaam bij H&S Cleaning B.V., een rechtsvoorganger van C&F, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd is die arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Vervolgens hebben H&S Cleaning B.V. en werknemer A op 3 mei 2024 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van 20 maanden, zodat deze eindigt op 31 december 2025. In die arbeidsovereenkomst staat in artikel 11 een verbod op nevenwerkzaamheden/nevenactiviteiten, in artikel 12 een geheimhoudingsbeding, in artikel 13 een non-concurrentiebeding, in artikel 14 een relatiebeding, in artikel 15 de motivatie voor het non-concurrentiebeding en het relatiebeding en in artikel 17 een boetebeding. Het non-concurrentie- en het relatiebeding hebben een geldingsduur van één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Bij brief van 22 mei 2025 heeft werknemer A die arbeidsovereenkomst voortijdig opgezegd tegen 30 juni 2025.

Werknemer B is lange tijd werkzaam geweest bij H&S Logistic Services B.V., een rechtsvoorganger van C&F, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 23 november 2021 (met ingangsdatum 1 januari 2022) in de functie van business-unitmanager. De in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst is niet ondertekend door werknemer B. In de arbeidsovereenkomst staat in artikel 11 een verbod op nevenwerkzaamheden/nevenactiviteiten, in artikel 12 een geheimhoudingsbeding, in artikel 13 een non-concurrentiebeding, in artikel 14 een relatiebeding, in artikel 15 de motivatie voor het non-concurrentie en relatiebeding en in artikel 17 een boetebeding. In de tweede helft van 2024 hebben C&F en werknemer B gesprekken gevoerd over een eventuele overname van C&F door werknemer B. In dat kader hebben zij een geheimhoudingsovereenkomst gesloten die door werknemer B op 23 juli 2024 is ondertekend. Vervolgens heeft C&F vertrouwelijke informatie aan werknemer B ter beschikking gesteld. In november 2024 werd duidelijk dat C&F en werknemer B geen overeenstemming zouden bereiken over de overname. Op 19 december 2024 heeft werknemer B een bv opgericht. C&F en werknemer B hebben op 24 april 2025 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt met ingang van 1 juni 2025, waarbij werknemer B zich heeft verplicht de (post)contractuele bedingen en verplichtingen, waaronder de bedingen van artikel 11 tot en met 17 van de arbeidsovereenkomst, na te komen, en waarin de duur van het non-concurrentiebeding en het relatiebeding wordt beperkt tot een duur van zes maanden na einde dienstverband, derhalve tot 1 december 2025.

In de periode van 25 juni 2024 tot en met 2 juli 2025 heeft werknemer A verschillende documenten van C&F naar zijn privé e-mailadres verzonden. Werknemer A en werknemer B zijn op enig moment na hun uitdiensttreding bij C&F werkzaamheden gaan verrichten voor J&S. Bij brief van 8 oktober 2025 aan J&S en bij brieven van 9 oktober 2025 aan werknemer A en B heeft C&F hen gesommeerd om schriftelijk te bevestigen dat zij niet betrokken zijn en ook op geen enkele wijze betrokken zullen zijn bij het op onrechtmatige wijze opzetten van een met C&F concurrerende onderneming. Bij e-mail van 17 oktober 2025 heeft werknemer B C&F bericht dat hij zich niet bezighoudt met concurrerende activiteiten. Hij heeft bericht dat er geen sprake is van enig handelen in strijd met de geldende afspraken of verboden. Bij e-mail van 23 oktober 2025 heeft werknemer A C&F bericht dat hij niet gebonden is aan het non-concurrentiebeding en het relatiebeding. Op 24 oktober 2025 heeft C&F een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ex artikel 205 en 206 Rv ten laste van J&S. Per 1 december 2025 heeft C&F haar onderneming deels overgedragen aan Tank Service Valley B.V. (hierna: TSV). C&F vordert dat J&S, werknemer A en B beveelt om afschrift te verstrekken van alle gegevens die op grond van het beslagverlof ten laste van hen in bewijsbeslag is genomen. J&S vordert dat het bewijsbeslag dat C&F ten laste van J&S, werknemer A en B heeft gelegd, met onmiddellijke ingang opheft. Werknemer A vordert dat het concurrentiebeding en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst worden geschorst.

Oordeel

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft C&F haar spoedeisend belang bij het inzageverzoek onvoldoende aannemelijk gemaakt. C&F heeft immers haar onderneming per 1 december 2025 deels verkocht aan TSV. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van concurrerende handelingen aan de zijde van J&S, werknemer A en B, geldt dat C&F daarvan geen nadeel meer ondervindt, nu zij haar bedrijf heeft verkocht en derhalve geen bedrijfsdebiet meer heeft dat daardoor kan worden geschaad. Dat heeft zij ter zitting ook erkend. Zij heeft dan ook geen inzage in of afgifte van de beslagen gegevens nodig voor het beginnen van een procedure om het gestelde wanpresteren/onrechtmatig handelen een halt toe te roepen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het concurrentiebeding van werknemer B, voor zover al geldig, per 1 december 2025 is geëindigd. C&F stelt weliswaar dat zij door het beweerde wanpresteren/onrechtmatig handelen van J&S, werknemer A en B een lagere koopprijs heeft ontvangen van TSV, maar voor zover daarvan sprake is, heeft zij daardoor mogelijk schade geleden. Die omstandigheid, leidt – zonder nadere toelichting die ontbreekt – echter niet tot de conclusie dat er thans sprake is van een spoedeisend belang in de zin van artikel 197 Rv, dat maakt dat van C&F niet verwacht kan worden de uitkomst van een inzageverzoek in een bodemprocedure af te wachten. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van C&F in conventie worden afgewezen.

J&S, werknemer A en B vorderen opheffing van het bewijsbeslag. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat C&F voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat er een rechtsbetrekking met J&S, werknemer A en B bestaat en dat C&F rechtmatig belang heeft bij inzage dan wel afgifte van bepaalde gegevens. De beoordeling of de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, kan bovendien niet geschieden los van de vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de belangenafweging in het voordeel van C&F uit te vallen, temeer omdat J&S, werknemer A en B niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij kenbaar nadeel of hinder van de bevriezing van de bestaande situatie ondervinden. Met opheffing van bewijsbeslag moet ook terughoudend worden omgegaan, omdat daarmee de beslagen gegevens voorgoed kunnen kwijtraken. De vorderingen van J&S, werknemer A en B tot opheffing van het bewijsbeslag zullen daarom worden afgewezen.

Werknemer A vordert daarnaast schorsing van het concurrentie- en relatiebeding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de vraag of er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bestaan die het opnemen van het concurrentie- en/of relatiebeding in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van werknemer A rechtvaardigen, in de onderhavige procedure niet worden beantwoord. Hetzelfde geldt voor de vraag of – ervan uitgaande dat de bedingen rechtsgeldig zijn – werknemer A concurrerende werkzaamheden voor J&S heeft verricht. Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen omtrent de rechtsgeldigheid van de bedingen en de aard van de door werknemer A verrichte (al dan niet concurrerende) werkzaamheden is voor het antwoord op de vraag of het concurrentie- en/of relatiebeding van werknemer A vernietigbaar is, bewijslevering nodig. Daarvoor leent de kortgedingprocedure zich niet. Dat betekent dat de voorzieningenrechter vooralsnog niet kan beoordelen of het concurrentie- en relatiebeding vernietigbaar is en zo nee, of C&F voldoende reden heeft om werknemer A aan die bedingen te houden.