Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 5 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:15780
Loonvordering werknemer in kort geding tegen de eenmanszaak van zijn broer afgewezen, er is nader onderzoek nodig.

Feiten

Werknemer is per 14 februari 2025 in dienst getreden bij werkgever, de eenmanszaak van zijn broer, in de functie van leerling-opperman. De arbeidsovereenkomst is door middel van een beëindigingsovereenkomst geëindigd. Werknemer vordert achterstallig loon, reiskosten en nog een aantal aanpalende vorderingen. Werknemer voert aan dat werkgever te weinig loon heeft betaald, ook zouden geen vakantiebijslag en reiskostenvergoeding zijn betaald. Werkgever voert – samengevat – als verweer aan dat hij een administratiekantoor heeft ingeschakeld voor de loonadministratie en dat hij het door het administratiekantoor berekende salaris gewoon op rekening van werknemer heeft overgemaakt. Verder voert werkgever aan – zo begrijpt de kantonrechter – dat hij geen reiskosten aan werknemer hoeft te betalen omdat werknemer er zelf voor heeft gekozen om niet mee te rijden met een collega en hij de tankpas van werkgever heeft gebruikt.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen twisten over de vraag welke bedragen om welke reden zijn betaald. Om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen over (de hoogte van) het achterstallige salaris, het vakantiegeld en de reiskosten moet naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op het voorgaande, nader feitenonderzoek worden verricht en/of verdere bewijsvoering worden geleverd, waarvoor de onderhavige kortgedingprocedure zich niet leent. Gelet op het voorgaande kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op dit moment nog niet worden aangenomen dat de bodemrechter de vorderingen van werknemer zal toewijzen. Het voorgaande brengt met zich dat de loonvordering en de daarmee samenhangende vorderingen niet toewijsbaar zijn. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.