Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 29 januari 2026
ECLI:EU:C:2026:60
Feiten
Verzoekster, Eliz Erkut Duygu, heeft tussen 2014 en 2019 in het kader van verschillende overeenkomsten in het corps de ballet van de stichting gewerkt als ballerina. Meer bepaald heeft zij na een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van 4 november 2014 tot en met 18 januari 2015, als leerling, na een selectieprocedure een reeks opeenvolgende overeenkomsten gesloten als zelfstandige tussen 16 augustus 2016 en 9 juli 2019. De nationale rechter is van oordeel dat sprake is van een schijnconstructie en verzoekster in feite werkzaam is geweest op basis van arbeidsovereenkomsten. De nationale rechtspraak verzet zich evenwel tegen conversie van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in onbepaalde tijd voor dienstbetrekkingen tussen stichtingen voor dans, opera en orkesten.
De rechter wenst te vernemen of clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door een hoogste nationale rechterlijke instantie, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door dergelijke overeenkomsten automatisch om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, niet van toepassing zijn op de sector waarin stichtingen voor dans, opera en orkesten actief zijn, en die als sanctiemaatregel voor misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in deze sector, ten eerste bepaalt dat – onverminderd de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen voor grotere schade – een minimumbedrag kan worden toegekend als vergoeding van de geleden schade, waarvan het bewijs op basis van een vermoeden kan worden geleverd, en ten tweede in de mogelijkheid om de bestuurders van deze stichtingen aansprakelijk te stellen in geval van grove schuld of opzettelijke schending van de nationale regeling inzake die overeenkomsten.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Differentiatie in antimisbruikbepalingen mag per economische sector worden aangebracht, mits voldoende effectief en afschrikwekkend
In dit verband dient vooraf te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke de omzetting van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet verplicht is in geval van misbruik van dergelijke overeenkomsten (zie in die zin HvJ EU 22 februari 2024, Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a., gevoegde zaken C-59/22, C-110/22 en C-159/22, ECLI:EU:C:2024:149, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder heeft het Hof met betrekking tot een wettelijke nationale regeling die van toepassing is op de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten geoordeeld dat uit de raamovereenkomst geen algemene verplichting van de lidstaten voortvloeit om in een dergelijke omzetting te voorzien (zie in die zin HvJ EU 25 oktober 2018, Sciotto, C-331/17, ECLI:EU:C:2018:859, punt 59). Tevens zij eraan herinnerd dat clausule 5 van de raamovereenkomst er als zodanig niet aan in de weg staat dat een lidstaat het misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd verschillend behandelt, al naargelang de genoemde overeenkomsten of verhoudingen werden aangegaan met een werkgever uit de particuliere sector of een werkgever uit de publieke sector (HvJ EU 7 maart 2018, Santoro, C-494/16, ECLI:EU:C:2018:166, punt 42).
Evenzo is de toepassing van verschillende regels op een specifieke economische sector wegens de bijzonderheden die deze kenmerken niet a priori verboden (zie in die zin arrest Sciotto, punten 46‑48). In deze context kan overigens worden verwezen naar punt 8 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst, volgens hetwelk arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd typisch zijn voor sommige sectoren, beroepen en activiteiten en zowel de werkgevers als de werknemers goed kunnen uitkomen. Hieruit volgt dat clausule 5 van de raamovereenkomst zich in beginsel niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die in de specifieke sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten verbiedt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in geval van misbruik van eerstgenoemde overeenkomst. Overeenkomstig de in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet evenwel worden opgemerkt dat een nationale regeling die in de sector stichtingen voor dans, opera en orkesten verbiedt om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door deze om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, alleen kan worden geacht in overeenstemming met de raamovereenkomst te zijn wanneer de interne rechtsorde van de betrokken lidstaat voor die sector voorziet in een andere effectieve maatregel ter voorkoming en, in voorkomend geval, ter bestraffing van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (zie in die zin arresten Sciotto, punt 60, en Consejería de Presidencia, Justicia e Interior de la Comunidad de Madrid e.a., punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien het niet aan het Hof staat om uitspraak te doen over de uitlegging van een nationale regeling of nationale rechtspraak, komt de taak om te beoordelen of het nationale recht een dergelijke maatregel bevat toe aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties (zie in die zin HvJ EU 13 juni 2024, DG de la Función Pública, Generalitat de Catalunya en Departamento de Justicia de la Generalitat de Catalunya, gevoegde zaken C-331/22 en C-332/22, ECLI:EU:C:2024:496, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Conclusie
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door een hoogste nationale rechterlijke instantie, volgens welke de op arbeidsverhoudingen betrekking hebbende algemene regels die bedoeld zijn om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te bestraffen door die overeenkomsten automatisch om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, niet van toepassing zijn op de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten, en die als sanctiemaatregel voor misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in deze sector, ten eerste bepaalt dat – onverminderd de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen voor grotere schade – een minimumbedrag kan worden toegekend als vergoeding van de geleden schade, waarvan het bewijs op basis van een vermoeden kan worden geleverd, en ten tweede voorziet in de mogelijkheid dat de bestuurders van deze stichtingen aansprakelijk worden gesteld in geval van grove schuld of opzettelijke schending van de nationale regeling inzake die overeenkomsten, voor zover deze maatregelen het mogelijk maken het vastgestelde misbruik doeltreffend te bestraffen, hetgeen aan de nationale rechter staat om te beoordelen. Indien die rechter van oordeel is dat misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de sector van stichtingen voor dans, opera en orkesten op grond van deze maatregelen niet doeltreffend kan worden bestraft, dient hij zijn nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met die clausule uit te leggen teneinde de volle werking van Richtlijn 1999/70/EG te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.
