Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is met ingang van 1 september 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (één jaar) in dienst getreden bij werkgever (een huisartsenpraktijk, hierna: werkgever) in de functie van doktersassistente in opleiding. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Huisartsenzorg van toepassing verklaard. Naast de arbeidsovereenkomst hebben partijen een studieovereenkomst gesloten. Daarin is opgenomen dat werkgever studieverlof en een tegemoetkoming in de studiekosten verstrekt voor de opleiding tot doktersassistente, inclusief persoonlijke training/coaching en dat werkgever 100% van de kosten vergoedt. Tevens bevat de studieovereenkomst een terugbetalingsregeling. Werkneemster is gestart met de opleiding tot doktersassistente en heeft coaching ontvangen; de daarmee samenhangende kosten zijn door werkgever betaald. Op 17 september 2022 heeft werkneemster buiten werktijd een triagecursus gevolgd. Volgens de cao wordt scholing buiten werktijd betaald of in tijd gecompenseerd. Werkgever heeft op 29 juni 2023 aan werkneemster bevestigd dat de arbeidsovereenkomst na 31 augustus 2023 niet wordt voortgezet en dat werkgever de betaalde studiekosten op grond van de studieovereenkomst op werkneemster zal verhalen. Bij de eindafrekening heeft werkgever vervolgens € 558,95 netto (opleiding) en € 1.452 netto (coaching) met het nog aan werkneemster toekomende loon verrekend. Werkneemster vordert terugbetaling van de verrekende studiekosten (in totaal € 2.010,95 netto) en daarnaast vergoeding voor studie-uren die zij in eigen tijd zou hebben gemaakt (na vermindering van eis: € 694,78 bruto voor 31 uren). Partijen twisten over de vraag of het studiekostenbeding (en de verrekening) rechtsgeldig is en of werkneemster recht heeft op vergoeding van studie-uren in eigen tijd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 7:611a BW scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie door de werkgever kosteloos moet worden aangeboden. In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1386) betekent dit dat een studiekostenbeding dat dergelijke noodzakelijke scholing toch (via terugbetaling) voor rekening van de werknemer brengt, in strijd is met artikel 7:611a BW en op grond van artikel 7:611a lid 4 BW nietig is. De kantonrechter oordeelt dat de opleiding tot doktersassistente en de coaching in dit geval als noodzakelijke scholing moeten worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat werkgever de opleiding als vereiste voor de functie heeft aangemerkt. Dit blijkt uit verklaringen ter zitting en uit een passage in de brief van 29 juni 2023, waarin werkgever vermeldt dat de opleiding “een vereiste was voor de functie doktersassistente”. Dat werkneemster de opleiding mogelijk zelf ook graag wilde volgen, maakt dit niet anders. Omdat de scholing noodzakelijk is voor de functie, moet deze kosteloos zijn. Het studiekostenbeding is daarom nietig voor zover het terugbetaling van deze kosten inhoudt. Werkgever mocht de studiekosten dus niet met het loon verrekenen. De vordering tot terugbetaling van € 2.010,95 netto wordt toegewezen.
