Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 maart 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:8863
Feiten
Werkgeefster is een onderneming die zich bezighoudt met het verrichten van onderhoudswerkzaamheden, het verwijderen van milieuonvriendelijke stoffen en materialen en het saneren en verwijderen van asbest. Werkgeefster heeft twee medewerkers in dienst (gehad), voor wie zij geen eigen pensioenvoorziening heeft getroffen. Bpf Bouw is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Het O&O-fonds en het Aanvullingsfonds zijn sociale fondsen in de bedrijfstak Bouw & Infra. In beginsel vallen ondernemingen die zich bezighouden met asbestverwijdering onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit. Het Verplichtstellingsbesluit kende tot 15 juli 2016 echter de zogenoemde isolatie-uitzondering: ondernemingen die asbestverwijdering enkel als voorbehandeling ten behoeve van bijvoorbeeld het afwerken of onderhouden van isolerende materialen toepasten, vielen niet onder de werkingssfeer. Werkgeefster heeft een verklaring voor recht gevorderd dat het Verplichtstellingsbesluit, de cao Bouw & Infra en de cao BTER vanaf 1 januari 2007 niet op haar van toepassing zijn, zodat de Fondsen daaraan geen vorderingen tot betaling van premies kunnen ontlenen. Werkgeefster vindt dat de cao’s niet algemeen verbindend hadden mogen worden verklaard omdat de via TBB aangeleverde (representativiteits)gegevens onjuist waren. Deze ontoereikende en onjuiste representativiteitgegevens hebben ten grondslag gelegen aan de vaststelling van de verplichtstellingsbeschikking en aan de algemeen verbindendverklaring van de cao’s. In reconventie vorderen de Fondsen een verklaring voor recht dat werkgeefster vanaf 1 januari 2007 onder de verplichtstelling van Bpf Bouw valt, vanaf 1 januari 2007 gebonden is aan de statuten, reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van Bpf Bouw en vanaf 1 januari 2007 premie moet betalen aan Bpf Bouw conform de bepalingen van het uitvoeringsreglement van Bpf Bouw.
Oordeel
Kern van het geschil wordt gevormd door de vraag of werkgeefster onder de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt. De kantonrechter heeft het representativiteitsverweer van werkgeefster verworpen. De Fondsen hebben naar het oordeel van de kantonrechter niet aangetoond dat de werkzaamheden van werkgeefster niet direct zijn opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend karakter, zodat niet is komen vast te staan dat werkgeefster met haar bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeerbepalingen van de Bouwregelingen valt. De verklaring voor recht is dan ook toegewezen, met dien verstande dat dit geldt tot 2016, nu partijen het erover eens zijn dat werkgeefster vanaf 2016 wel onder de (destijds gewijzigde) werkingssfeer valt. Werkgeefster wordt gevolgd in haar stelling dat tijdens het werkingssfeeronderzoek onvoldoende is onderzocht of haar werkzaamheden specifiek isolatie ten doel hadden, en of zij direct zijn opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend doel en karakter, en wel voor dezelfde plek waar eerst het asbest zat. Naar het oordeel van de kantonrechter kan nog geen eindvonnis worden gewezen. TBB/APG dient onderzoek te doen naar de activiteiten van werkgeefster in het kader van de isolatie-uitzondering; asbestverwijdering met het oog op en het doel van het aanbrengen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen.
