Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:128
Feiten
Werkneemster stelt in haar verzoekschrift het volgende. Zij was op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 22 januari 2025 in dienst bij Meditime B.V. Zij heeft in januari 2025 een document getekend dat als ‘overeenkomst van uitdiensttreding’ is aangeduid. Dit document was op een aantal essentiële punten, waaronder de einddatum van het dienstverband, nog niet ingevuld. Meditime heeft na ondertekening door werkneemster onder meer als datum van beëindiging van het dienstverband ‘30 april 2025’ ingevuld. Volgens Meditime is op grond van dit document de arbeidsovereenkomst geëindigd per 30 april 2025. Werkneemster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd. Ook verzoekt zij de kantonrechter om Meditime te veroordelen het salaris van mei en juni 2025, met wettelijke verhoging, en vakantiegeld vanaf 22 januari 2025 te betalen, met wettelijke rente.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De verzoeken van werkneemster komen erop neer dat zij eist dat Meditime de arbeidsovereenkomst nakomt (art. 3:296 BW). Uit de wet blijkt niet dat werkneemster dit met een verzoekschrift kan vragen. Daarom moet dat met een dagvaarding gebeuren (art. 78 en 261 Rv). Werkneemster heeft dus een verkeerd processtuk gebruikt. De kantonrechter geeft werkneemster de gelegenheid om Meditime alsnog met een exploot door de deurwaarder te laten oproepen (art. 45 Rv). Ook bepaalt de kantonrechter dat de procedure wordt voortgezet als dagvaardingsprocedure. Werkneemster mag haar stellingen aanpassen aan de regels die gelden voor die procedure (art. 69 Rv). Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
