Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 12 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:312
Feiten
Werkneemster is sinds 2007 in dienst bij de gemeente Hoeksche Waard (hierna: de Gemeente) en werkte op de griffie. Begin 2025 is intern onderzoek gedaan naar het handelen op de griffie; de bevindingen schetsten volgens de programmadirecteur bedrijfsvoering richting de werkgeverscommissie een zorgelijk beeld (o.a. onregelmatigheden en onwenselijke bejegening/belasting van de organisatie). Op 17 juli 2025 stuurde werkneemster met collega’s e-mails aan verschillende gremia waarin zij melding maakte van een structureel onveilige werkomgeving door de waarnemend griffier. Op 18 juli 2025 is een vertrouwelijke raadsinformatiebrief (RIB) met onderzoeksbevindingen aan de raad gestuurd; daarna volgden gesprekken met griffiemedewerkers. Werkneemster werd op 6 augustus 2025 verzocht discreet te zijn en niet verder te escaleren. De RIB lekte naar de pers; onduidelijk is wie daarvoor verantwoordelijk is. Op 29 augustus 2025 mailde werkneemster met collega’s de gemeenteraad en suggereerde zij onder meer dat de werkgeverscommissie de RIB had gelekt en dat geen wederhoor was toegepast. De gemeente schorste werkneemster op 2 september 2025 en ontzegde haar gedurende de schorsing toegang tot gemeentelijke locaties en systemen, met de waarschuwing dat escalerend gedrag tot ontslag op staande voet kon leiden. Na ICT-onderzoek stelde de gemeente vast dat werkneemster na haar schorsing veel handelingen in de digitale werkomgeving had verricht en vertrouwelijke (waaronder personeelsvertrouwelijke) informatie naar haar privémail en die van een collega had gestuurd. Na confrontatie hierover op 9 september 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster verzocht (kort gezegd) een verklaring voor recht dat de schorsing onrechtmatig was, nietigverklaring/vernietiging van schorsing en ontslag wegens onbevoegdheid, dan wel vernietiging van het ontslag op staande voet, met doorbetaling van loon. De gemeente verzocht afwijzing en stelde voorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de orde als het ontslag zou worden vernietigd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft geen (voldoende) belang bij een verklaring voor recht over de schorsing, zodat dat verzoek wordt afgewezen. De besluiten tot schorsing en ontslag zijn niet nietig of vernietigbaar wegens onbevoegdheid: de werkgeverscommissie heeft de besluiten genomen en mocht dat doen; de waarnemend griffier heeft de besluiten slechts (opdrachtmatig) meegedeeld. Ook is niet gebleken van schending van goed werkgeverschap of onbehoorlijke besluitvorming door een onduidelijk mandaat. Het ontslag op staande voet blijft in stand, omdat is voldaan aan de vereisten: er is een dringende reden en er is onverwijld opgezegd en medegedeeld. Vaststaat dat werkneemster tijdens haar schorsing, terwijl haar toegang tot systemen uitdrukkelijk was ontzegd en zij was gewaarschuwd, vertrouwelijke informatie naar haar privémail en die van een collega heeft gestuurd; dit levert een dringende reden op, mede gezien de context van eerder escalerend handelen (onder meer het benaderen van de gemeenteraad met onjuiste/incompleet onderbouwde suggesties over wederhoor en het lekken van de RIB). Omdat het ontslag in stand blijft, komt de kantonrechter niet toe aan het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek van de gemeente. Wel kent de kantonrechter op grond van artikel 7:673 lid 8 BW de helft van de transitievergoeding toe: hoewel het handelen van werkneemster als ernstig verwijtbaar kwalificeert, is het volledig onthouden van transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, gelet op haar lange dienstverband (18 jaar), haar eerdere goede functioneren, het ontbreken van kwade bedoelingen en (tot dan toe) concrete schade, en de verwachting dat zij lastig nieuw werk zal vinden. De transitievergoeding per 9 mei 2025 bedraagt € 38.239,05 bruto; de gemeente moet daarvan de helft betalen, € 19.119,53 bruto.
