Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/IBM Nederland B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 november 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:8773
Kort geding. Vooralsnog kan worden aangenomen dat de leaseauto een arbeidsvoorwaarde is die niet eenzijdig kan worden gewijzigd.

Feiten

Werknemer is sinds 1 maart 1999 in dienst bij IBM Nederland B.V. (hierna: IBM), momenteel in de functie van security consultant. Hij heeft sinds 22 juli 1999 de beschikking over een leaseauto. Elke vijf jaar was er de mogelijkheid om een leaseauto te bestellen via een portal. Dit heeft hij ook voortdurend gedaan. Werknemer heeft altijd voor het merendeel privé gereden met de leaseauto. Toen werknemer in 2025 een nieuwe leaseauto wilde bestellen is hem te verstaan gegeven dat hij geen recht heeft op een leaseauto. Werknemer heeft zijn leaseauto ingeleverd. De vraag die in kort geding voorligt, is of het recht op een leaseauto kwalificeert als een arbeidsvoorwaarde of als een regeling.

Oordeel

Arbeidsvoorwaarde

De vraag of het recht op een leaseauto kwalificeert als een arbeidsvoorwaarde kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Dit zal vastgesteld moeten worden aan de hand van de vraag wat partijen overeen zijn gekomen. In onderhavige zaak is tussen IBM en werknemer het recht op een leaseauto niet expliciet overeengekomen. Het is dan nog steeds mogelijk dat uit een gedragslijn van IBM een de arbeidsovereenkomst aanvullende arbeidsvoorwaarde volgt. Deze leaseauto is zeer kort na indiensttreding ter beschikking van werknemer gesteld. Vanaf het begin mocht werknemer deze auto ongeclausuleerd ook privé gebruiken. Ook is werknemer een tankpas ter beschikking gesteld die hij ook privé mag gebruiken. De leaseperiode is voortdurend, vijf keer, verlengd en werknemer heeft dus meer dan 25 jaar voortdurend een leaseauto tot zijn beschikking gehad. Werknemer heeft een groot financieel belang bij het recht op een leaseauto, ook omdat hij gedurende lange tijd geen eigen auto hoefde aan te schaffen en te onderhouden. De aard en de duur van dit belang weegt voor de kantonrechter zwaar mee. Bij in ieder geval de eerste drie termijnen van vijf jaar is nooit met werknemer besproken of hij nog voor een leaseauto in aanmerking kwam. Het is dus begrijpelijk dat werknemer de auto als ‘loon’ beschouwde, die verlenging vond immers vanuit zijn perspectief automatisch plaats. Al op grond hiervan heeft hij er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat hij in beginsel gedurende de resterende tijd van de arbeidsovereenkomst recht zouden hebben op een leaseauto. Dat werknemer onder de aandacht is gebracht dat het hier gaat om een (voorwaardelijke) regeling, zoals IBM stelt, is de kantonrechter niet gebleken. Wel is het zo dat werknemer bij het bestellen van een leaseauto een vinkje heeft moeten zetten bij een korte tekst. Dat er in 2010 gecommuniceerd is binnen het bedrijf over een nieuwe Ambulant- en autoleaseregeling maakt evenmin dat werknemer heeft moeten begrijpen dat hij zijn leaseauto ter beschikking heeft gekregen op basis van een regeling die gekoppeld is aan de voorwaarde dat hij ambulant blijft. Uit het voorgaande volgt dat er vooralsnog van uit moet worden gegaan dat er sprake is van een arbeidsvoorwaarde. Een dergelijk recht kan ook voorwaardelijk overeen zijn gekomen. Daarvan is echter onvoldoende gebleken.

Eenzijdige wijziging

Werknemer heeft onderbouwd naar voren gebracht dat van een eenzijdige wijziging geen sprake kan zijn. Hierop heeft IBM niet, althans onvoldoende, gereageerd. In algemene zin is wel gesproken over versobering van de leaseregeling. Dit is echter onvoldoende uitgewerkt om gewicht in de schaal te leggen. Het is dan al ten overvloede dat wordt overwogen dat het belang van het privégebruik van de leaseauto zwaar weegt. In onderhavig geval worden zelfs de brandstofkosten van de privékilometers betaald. Dit zijn zwaarwegende (financiële) belangen aan de zijde van de werknemer. Hierbij geldt in casu temeer dat werknemer heeft aangevoerd dat zijn loon bescheiden is en de leaseauto een significant deel uitmaakt van zijn beloning. Het bestaan van een eenzijdig wijzigingsrecht kan dan voorshands ook niet worden aangenomen.