Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 november 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:9695
Feiten
Werkneemster was in dienst bij de gemeente Amsterdam. Op enig moment heeft de gemeente de arbeidsovereenkomst met werkneemster wegens langdurige arbeidsongeschiktheid opgezegd met toestemming van het UWV. In onderhavige procedure verzoekt werkneemster op grond van artikel 7:682 lid 1 onder c BW om toekenning van een billijke vergoeding. Volgens werkneemster heeft de gemeente ernstig verwijtbaar gehandeld doordat zij haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Hierbij stelt werkneemster dat de gemeente, ondanks het uitdrukkelijke advies van de bedrijfsarts, geen parkeervergunning heeft verstrekt noch een andere vervoersvoorziening heeft aangeboden zodat werkneemster haar werk kon blijven doen.
Oordeel
De kantonrechter doet in onderhavige zaak mondeling uitspraak en oordeelt als volgt. Het verzoek van werkneemster tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen. Uit de overgelegde adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige blijkt dat de re-integratiemogelijkheden van werkneemster gedurende haar arbeidsongeschiktheid beperkt waren. Hoewel de bedrijfsarts in de probleemanalyse van 28 januari 2021 heeft aangegeven dat er een medische indicatie bestond voor een permanente parkeervergunning, kan het de gemeente niet worden verweten dat zij op dat moment geen parkeervergunning aan werkneemster heeft verstrekt. Ten eerste kon werkneemster met een medische indicatie zelf een parkeervergunning aanvragen. Daarnaast volgt uit latere adviezen van de bedrijfsarts dat er sprake was van meerdere medische aandoeningen, niet werkgerelateerd en niet onderling gerelateerd, waardoor re-integratie toen niet mogelijk was. In april 2024, het moment dat de re-integratie in spoor 1b startte, beschikte werkneemster wel weer over een met behulp van de gemeente verkregen parkeervergunning en kon zij enkele uren in de week werkzaamheden verrichten. Op de momenten waarop re-integratie mogelijk was, was de parkeervergunning dus aanwezig. De kantonrechter is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gemeente haar re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd of dat anderszins sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:682 BW.
