Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 2 december 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2579
Feiten
Werknemer is als uitzendkracht aan werkgeefster ter beschikking gesteld. Vanaf januari 2020 heeft werknemer bij werkgeefster gewerkt als oogstmedewerker. Op 25 mei 2022 is werknemer om ongeveer 9.10 uur gevallen in een gangpad in de kas. Werknemer is diezelfde dag opgenomen in het ziekenhuis in verband met een elleboogfractuur. De Nederlandse arbeidsinspectie heeft een rapport opgesteld, maar geen eigen onderzoek uitgevoerd. Bij brief van 15 juli 2022 heeft de gemachtigde van werknemer werkgeefster aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 lid 2 BW voor de schade van werknemer. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat werkgeefster aansprakelijk is.
Oordeel
Werkgeefster heeft aangevoerd dat het ongeval niet gebeurd is in de uitoefening van de werkzaamheden, omdat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de pauze. Het hof verwerpt dit verweer. Het criterium “in de uitoefening van de werkzaamheden” wordt ruim uitgelegd. Hieronder moet ook worden begrepen de situatie waarin een werknemer zich aansluitend aan de arbeidstijd (tijdens een pauze) nog altijd in de bedrijfsruimte bevindt waar hij de werkzaamheden moet verrichten. Het hof is verder van oordeel dat de door werknemer beschreven toedracht voldoende aannemelijk is geworden, namelijk dat hij op 25 mei 2022 is gevallen over een stuk rail dat uitstak uit de betonvloer van de kas waar hij zijn werkzaamheden verrichtte. Uit de door werknemer overgelegde foto’s blijkt van een uitstekende rail waarvan getuige 2 heeft verklaard dat zij de foto met de uitstekende rail en de doos - die daar ter markering van het ongeval was aangebracht - heeft genomen en dat werknemer daar op die plek is gevallen. Bij die foto is ook elektronisch de datum van het ongeval vermeld. Verder hebben getuige 1 en getuige 2 ieder verklaard, ook in aanwezigheid van de kantonrechter, dat werknemer gevallen is over een uitstekende rail. Hun verklaringen komen op hoofdlijnen overeen en het hof acht die verklaringen voldoende geloofwaardig. De stelling van werkgeefster dat werknemer op een andere plek in de kas is gevallen (en er dus een gewone val was waarvoor werkgeefster in het kader van haar zorgplicht niet behoefde te waarschuwen, dan wel werkgeefster voldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan), ziet op de toedracht van het ongeval. Hiervan draagt werkgeefster de bewijslast en het bewijsrisico. Niet gesteld of gebleken is dat werkgeefster direct na het ongeval een onderzoek heeft gedaan naar de toedracht daarvan. Dat had wel van haar verwacht mogen worden nu op haar als werkgeefster ingevolge het Arbobesluit de verplichting rust om zorg te dragen voor een werkvloer die vrij is van oneffenheden en werknemer met een elleboogfractuur in het ziekenhuis werd opgenomen. Van een huis-, tuin- en keukenongeluk waarvoor niet gewaarschuwd hoeft te worden is geen sprake. Van werkgeefster had verwacht mogen worden dat zij op het ongeval toegesneden veiligheidsmaatregelen treft en toezicht houdt op de naleving van de veiligheidsmaatregelen en veiligheidsinstructies, in het bijzonder dat zij de werkvloer regelmatig inspecteert op oneffenheden en controleert of de rails - die klaarblijkelijk kunnen afbreken en uitsteken – nog goed in de vloer verzonken zijn en geen oneffenheden in de werkvloer veroorzaken waarover gevallen kan worden. Bij eventuele oneffenheden mag van haar verwacht worden dat zij deze allereerst duidelijk markeert/ afzet en vervolgens zo spoedig mogelijk repareert. Niet gesteld of gebleken is dat dergelijke maatregelen te bezwaarlijk of te kostbaar zouden zijn, of dit anderszins in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd. Het hoger beroep slaagt. Het hof verklaart voor recht dat werkgeefster jegens werknemer aansprakelijk is voor het door werknemer opgelopen letsel op of omstreeks 25 mei 2022.
