Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 17 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11509
Feiten
Op 25 juli 2024 sluiten werknemer en Olympia Services B.V. (‘Olympia’) een uitzendovereenkomst fase A voor werkzaamheden bij een bedrijf in de functie van magazijnmedewerker. In de overeenkomst is een gegarandeerd aantal van 32 uur per vier weken opgenomen tegen een uurloon van € 13,68. Verder bevat de overeenkomst een uitzendbeding (art. 7:691 lid 2 BW). Hoewel in het contract als aanvangsdatum 5 augustus 2024 staat, begint werknemer feitelijk al op 29 juli 2024 met werken. Uit de overgelegde loonstroken volgt dat hij 37,5 uur werkt in week 31 van 2024 en 7 uur in week 32. Het bedrijf meldt aan Olympia dat werknemer op 31 juli 2024 en 5 augustus 2024 te laat is gekomen. Op 5 augustus 2024 mailt het bedrijf aan Olympia dat 5 augustus 2024 de laatste werkdag van werknemer is geweest en dat de bevindingen over houding en gedrag onvoldoende waren om na die dag door te gaan. Olympia schrijft werknemer op 7 augustus 2024 dat de opdracht bij dit bedrijf op 5 augustus 2024 is geëindigd en dat zij hem daarna alternatieve mogelijkheden heeft aangeboden waarop hij niet schriftelijk heeft gereageerd. Zij geeft hem nog vijf werkdagen om te reageren en waarschuwt dat bij weigering of uitblijven van reactie het dienstverband kan eindigen en aanspraak op transitievergoeding kan vervallen. Werknemer verzoekt vervolgens (onder meer) uitbetaling van 64 uur, omdat hij vanaf week 32 en week 33 geen loon zou hebben ontvangen. Olympia stelt dat de gewerkte uren in week 31 en 32 zijn uitbetaald en dat er geen recht bestaat op extra betaling op grond van de 32-uur-garantie, omdat die garantie ziet op 32 uur verdeeld over vier weken vanaf de eerste werkweek en werknemer die 32 uur al in week 31 heeft overschreden. In correspondentie wordt ook de datum 12 augustus 2024 genoemd als stopdatum van de opdracht. Olympia betaalt werknemer een bedrag van € 20,42 bruto aan transitievergoeding. In deze procedure verzoekt werknemer onder meer betaling van € 5.087 aan achterstallig loon (garantie-uren).
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat werknemer op 29 juli 2024 is begonnen bij het bedrijf en dat de werkzaamheden vallen onder de overeengekomen functie van magazijnmedewerker. Omdat partijen feitelijk van de in het contract genoemde aanvangsdatum (5 augustus 2024) zijn afgeweken, geldt 29 juli 2024 als relevante aanvangsdatum. Vervolgens beoordeelt de kantonrechter het beroep op het uitzendbeding. Uit de overgelegde stukken, met name de e-mail van het bedrijf van 5 augustus 2024 en de brief van Olympia van 7 augustus 2024, blijkt voldoende dat het bedrijf de terbeschikkingstelling heeft beëindigd. Dat werknemer betwist dat de aanleiding zwaarwegend was (bijvoorbeeld omdat hij slechts enkele minuten te laat zou zijn geweest en geen formele waarschuwing zou hebben gehad) maakt dit niet anders, omdat de inlener de beëindiging in dit verband niet hoeft te motiveren. Doorslaggevend is dat het bedrijf niet verder wilde. Daarmee is de uitzendovereenkomst op grond van het uitzendbeding op 5 augustus 2024 van rechtswege geëindigd.
De kantonrechter wijst er wel op dat Olympia’s brief van 7 augustus 2024 niet bijzonder helder is over een mogelijk vervolg en dat het noemen van 12 augustus 2024 in latere communicatie slordig is. Dit leidt echter niet tot een andere uitkomst, omdat voor werknemer duidelijk moest zijn dat de opdracht bij het bedrijf op 5 augustus 2024 was geëindigd met als gevolg het einde van de uitzendovereenkomst. Zelfs als vanaf 5 augustus 2024 nog een nieuwe arbeidsovereenkomst zou zijn ontstaan, zou die volgens de kantonrechter eveneens van rechtswege (uiterlijk) per 12 augustus 2024 zijn geëindigd, omdat werknemer na 5 augustus 2024 in ieder geval geen werk heeft aangenomen. Ten aanzien van de loongarantie oordeelt de kantonrechter dat Olympia de daadwerkelijk gewerkte uren (week 31 en 32) heeft uitbetaald en dat werknemer niet kan volhouden dat week 31 buiten de vierwekentermijn moet blijven. Nu 29 juli 2024 als aanvangsdatum geldt, telt week 31 mee. Daaruit volgt dat werknemer geen verdere loonvordering (op basis van garantie-uren) heeft. Omdat werknemer niets meer van Olympia te vorderen heeft, wijst de kantonrechter alle verzoeken af.
