Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 22 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6837
Feiten
Bewindvoerder X treedt op namens werknemer. Werknemer is vanaf 1 juli 2025 werkzaam geweest als bedrijfsleider, handelend onder verantwoordelijkheid van werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 40 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf van toepassing. Volgens werknemer moet zijn functie worden gelijkgesteld met de functie ‘bedrijfsbeheerder I’ zoals omschreven in de cao, ingedeeld in functiegroep 4, met een brutomaandsalaris van € 2.528,93 bij een fulltime dienstverband. Over de periode 1 juli tot 1 november 2025 heeft werkgever slechts gedeeltelijk salaris uitbetaald. Werkgever is behoorlijk opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 11 december 2025, maar is niet verschenen en heeft ook anderszins niet gereageerd. Tegen werkgever is daarom verstek verleend. X verzoekt namens werknemer betaling van het achterstallige (cumulatieve) salaris over de periode 1 juli tot 1 november 2025. Daarnaast wordt aanspraak gemaakt op betaling van de vakantietoeslag, de uitbetaling van opgebouwde vakantie-uren, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Tevens wordt verzocht werkgever te veroordelen tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom. De vorderingen zijn ingesteld in kort geding en strekken tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat tegen werkgever verstek is verleend, beoordeelt de kantonrechter of de vorderingen toewijsbaar zijn. Daarbij geldt dat de vorderingen worden toegewezen indien er sprake is van een spoedeisend belang, het zeer waarschijnlijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en de vorderingen niet in strijd zijn met de wet. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het zeer waarschijnlijk dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Onweersproken is dat de functie van bedrijfsleider gelijkgesteld moet worden met de functie van bedrijfsbeheerder I uit de cao, ingeschaald in functiegroep 4, met een bijbehorend brutomaandsalaris van € 2.528,93. Over de periode 1 juli tot 1 november 2025 is een deel van dit salaris niet uitbetaald. Ook de gevorderde vakantietoeslag en de uitbetaling van de opgebouwde vakantie-uren zijn niet betwist en worden toegewezen. Niet is gebleken dat de vorderingen in strijd zijn met de wet of zonder geldige reden zijn ingesteld. Daarnaast wordt werkgever veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties over de periode 1 november 2022 tot 1 november 2025, op straffe van een dwangsom. De wettelijke verhoging van 50%, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens toegewezen, zij het dat de incassokosten worden gematigd tot het wettelijke tarief. Werkgever wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
