Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 december 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:8566
Voorafgaand aan overgang van onderneming overeengekomen afbouwbeding van persoonlijke toeslag niet rechtsgeldig. Strijd met artikel 7:663 BW.

Feiten

Werknemer is sinds 1998 in dienst bij werkgeefster. Op de arbeidsovereenkomst was geen cao van toepassing. Per 1 januari 2014 is werknemer als gevolg van een overgang van onderneming bij werkgeefster in dienst getreden.  Werknemer ontvangt sindsdien een persoonlijke toeslag, die wordt afgebouwd met elke initiële en tredeverhoging.  Kern van het geschil is de vraag of die afbouwregeling rechtsgeldig is. Werknemer heeft bij de kantonrechter gevorderd werkgeefster te veroordelen tot betaling van het openstaande bedrag aan persoonlijke toeslag en de cao-verhogingen daarover, met nevenvorderingen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de toekenning van een persoonlijke toeslag en de afbouw ervan rechtsgeldig zijn. De cao bevat geen regeling voor de rechten van werknemers bij overgang van onderneming. Dat betekent dat op dit punt werkgevers en werknemers afwijkende regelingen kunnen treffen. De persoonlijke toeslag is daarom niet in strijd met de cao en daarom rechtsgeldig. Op grond van Richtlijn 2001/23/EG hoeft geen rekening te worden gehouden met toekomstige salarisontwikkelingen, maar dienen slechts de bestaande arbeidsvoorwaarden ten tijde van de overgang van onderneming gehandhaafd te worden. Gelet hierop is de kantonrechter - anders dan het hof - van oordeel dat er niet van uit kan worden gegaan dat de arbeidsvoorwaarden van werknemer als gevolg van het afbouwbeding zijn verslechterd. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en werknemer veroordeeld in de proceskosten. Werknemer is het daar niet mee eens. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. 

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft gesteld en onderbouwd dat zijn salaris bij Baxter jaarlijks werd verhoogd. Dat heeft werkgeefster tijdens de mondelinge behandeling ook erkend. Werknemer heeft ook onderbouwd dat zijn salaris voor de overgang € 1.137,10 bruto per maand is gestegen en dat de salarissen van collega’s die in dienst zijn gebleven vanaf 2017 jaarlijkse salarisverhogingen kregen van in totaal circa 23%. Weliswaar was er geen sprake van vaste percentages van de verhogingen volgens vaste maatstaven, maar dat neemt niet weg dat vaststaat dàt bij de oud-werkgever jaarlijks verhoging van het salaris plaatsvond. Nu daarmee sprake is van een bestendige gedragslijn die gedurende het gehele dienstverband is gevolgd, is sprake van een (verworven) recht op salarisverhoging. Dat recht is daarmee onderdeel van de arbeidsovereenkomst geworden. Er was dus ten tijde van de overgang een concreet recht op salarisverhoging en niet slechts sprake van verwachtingen, zoals werkgeefster stelt. Dit is een op grond van artikel 7:663 BW beschermd recht waarvan de chauffeurs uitsluitend na en niet wegens de overgang afstand konden doen. Werkgeefster heeft de chauffeurs voorafgaande aan de overgang van de onderneming in december 2013 nieuwe arbeidsovereenkomsten laten tekenen, waarin de afbouwregeling voorkomt. Daarmee deden de chauffeurs afstand van hun recht op salarisverhoging voor de duur van de afbouwregeling. Gezien het verschil in salaris tussen het bij Baxter geldende loon en het cao-loon, betekende dit dat de chauffeurs gedurende een lange periode geen salarisverhoging zouden ontvangen. Dat is een wezenlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. Werkgeefster had (ten minste) rekening moeten houden met het bestaande recht op salarisverhoging door dit op enigerlei wijze mee te nemen in de nieuwe arbeidsvoorwaarden of een voor te stellen afbouwregeling. Zij heeft de arbeidsvoorwaarden van de door haar overgenomen werknemers voorafgaande aan de overname door de afbouwregeling op termijn willen aanpassen aan het cao-loon. Dat is een wijziging van de arbeidsvoorwaarden wegens de overgang van de onderneming en niet toegestaan. Werkgeefster heeft de chauffeurs voorafgaande aan de overgang van de onderneming in december 2013 nieuwe arbeidsovereenkomsten laten tekenen, waarin de afbouwregeling voorkomt. Daarmee deden de chauffeurs afstand van hun recht op salarisverhoging voor de duur van de afbouwregeling. Gezien het verschil in salaris tussen het bij Baxter geldende loon en het cao-loon, betekende dit dat de chauffeurs gedurende een lange periode geen salarisverhoging zouden ontvangen. Dat is een wezenlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. De vordering tot betaling van de persoonlijke toeslag wordt toegewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.