Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 december 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:3646
Feiten
Werkgeefster is een onderneming die handelt in veiligheidsproducten voor het luchtvaarttransport. Bpf MITT is een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Tussen partijen is in geschil of werkgeefster onder het toepassingsbereik van het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in Bpf MITT valt en verplicht is aangesloten bij Bpf MITT. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkgeefster onder de bedrijfstak van Bpf MITT en onder het toepassingsbereik van het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in Bpf MITT valt. Naar het oordeel van de kantonrechter valt het assembleren van spanbanden onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit. Werkgeefster heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft onder meer aangevoerd dat de assemblagewerkzaamheden aan de spanbanden slechts 3,3% van haar omzet uitmaken. Deze stelling heeft werkgeefster aangevoerd zowel in het kader van de uitleg van de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit als in het kader van haar beroep op de redelijkheid en billijkheid op grond waarvan de verplichting tot aansluiting volgens werkgeefster buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Het hof overweegt dat het verplichtstellingsbesluit van Bpf MITT geen hoofdzakelijkheidscriterium of enig ander drempelcriterium kent. Het hof verwijst in dit verband naar een arrest van het Hof Den Bosch van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339) waarin de vraag centraal staat of een bedrijf in schoonmaak- en hygiëneartikelen onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van Bpf MITT valt. Volgens het Hof Den Bosch heeft Bpf MITT terecht aangevoerd dat het verplichtstellingsbesluit geen ‘hoofdzakelijkheidscriterium’ kent, zodat dit ertoe leidt dat het bedrijf onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, ondanks de omstandigheid dat de betreffende werkzaamheden maar een klein onderdeel van haar activiteiten betreft. Het hof heeft vervolgens wel geoordeeld dat het, onder andere vanwege de geringe omvang van die werkzaamheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. In cassatie ligt onder meer de vraag voor of het hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het verplichtstellingsbesluit, daar waar het, kort gezegd, de werkingssfeer heeft aangemerkt als zodanig ruim dat dit – ook met toepassing van de cao-norm – geen enkele ondergrens heeft. Nu in de onderhavige zaak dezelfde rechtsvraag/rechtsvragen voorliggen, ziet het hof aanleiding de behandeling aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep tegen het arrest van 16 juli 2024 van het Hof Den Bosch.
