Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 18 december 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:8879
Opdrachtgever op grond van artikel 7:658 lid 4 BW (mede)aansprakelijk voor schade van schilder als gevolg van val door trapgat.

Feiten

Een schilder (zzp'er) is bij een pand in aanbouw door een trapgat gevallen en enkele meters lager op de onderliggende keldervloer terechtgekomen. De schilder heeft daarbij een incomplete dwarslaesie opgelopen. De schilder houdt de pandeigenaar en de bouwbegeleider aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW en zijn opdrachtgever op grond van artikel 7:658 lid 4 BW.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat bij de door de schilder verrichte opruimwerkzaamheden (waaruit het ongeval is ontstaan) sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW. Met betrekking tot het al dan niet schenden van de zorgplicht, is niet in geschil dat de opdrachtgever een VGM-beleid voert, dat hij volledig VCA-gecertificeerd is en dat alle medewerkers (waaronder ook ingeschakelde partijen, zoals de schilder) in het bezit dienen te zijn van een VCA-diploma. Evenmin is in geschil dat de opdrachtgever werkinspecties hield, waarbij ook werd toegezien op de veiligheid en dat hij (adequate) werkmaterialen en gereedschappen ter beschikking heeft gesteld aan de schilder ten behoeve van de gegeven opdracht. Het VGM-plan dat door de opdrachtgever aan de schilder is uitgereikt, is echter een algemeen document en niet toegespitst op een bepaald project en de daaraan specifiek verbonden veiligheidsrisico’s. De kantonrechter gaat er op grond van verklaringen van uit dat de vloer in de betreffende hal vol lag met bouwmaterialen. Dat dit niet het geval zou zijn, is gesteld noch gebleken en wordt bevestigd door foto’s die een dag eerder zijn gemaakt. De opdrachtgever was er (als opdrachtgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW) verantwoordelijk voor dat de situatie ter plaatse zo veilig mogelijk zou zijn. Opdrachtgever diende in ieder geval kennis te hebben van de (gevaarzettend gebleken) situatie rondom de afdichtingsconstructie en de schilder daarvoor te waarschuwen. Dat is niet gebeurd. Tot slot wijst de opdrachtgever nog op het Dakdekkers-arrest, ter onderbouwing van de stelling dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht indachtig de aard van het werk enerzijds en de werkervaring c.q. opleiding van de schilder anderzijds. Hiermee miskent de opdrachtgever echter dat een werkgever ook verantwoordelijk is voor de veiligheid van ervaren werknemers en steeds rekening dient te houden met het verschijnsel dat ook die werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is en dat hij de bekendheid of de kennis die de opdrachtgever zou moeten hebben met de aan het werk verbonden risico’s en het treffen van veiligheidsmaatregelen, niet enkel aan het inzicht van de schilder had mogen overlaten. Gelet op het voorgaande is de opdrachtgever (mede)aansprakelijk voor de schade die de schilder in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt of heeft geleden.