Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 28 november 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:15419
Feiten
Werkneemster is sinds 1 januari 2021 in dienst bij werkgever in de functie van afdelingssecretaresse met een loon van € 3.419,00 bruto per maand. Zij is op 6 augustus 2025 staande voet ontslagen. Werkneemster verzoekt bij verzoekschrift d.d. 9 oktober 2025 het ontslag op staande voet te vernietigen en werkgever te veroordelen tot betaling van loon. Volgens haar is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
Oordeel
De gemachtigde van werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen de stukken die werkgever op 12 november 2025 en daarmee op grond van het procesreglement te laat heeft ingediend. De kantonrechter heeft tijdens de zitting al beslist dat aan dit formele bezwaar van werkneemster voorbij wordt gegaan, omdat voor de meeste stukken geldt dat de inhoud daarvan voor haar niet nieuw is en zij verder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in haar procesbelang wordt geschaad als deze stukken in de beoordeling worden betrokken. De bevoegdheid om bij de kantonrechter een verzoekschrift tot vernietiging van een ontslag op staande voet in te dienen vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De termijn waarbinnen het verzoekschrift moet worden ingediend, begint op de eerste dag na de laatste werkdag en loopt aan het einde van de met die laatste werkdag overeenstemmende dag twee maanden later af. De termijn eindigt daarmee in beginsel steeds aan het einde van de dag met hetzelfde nummer als dat van de laatste werkdag, afgezien van de werking van de Algemene termijnenwet. Ook als (in het uiterste geval) zou worden meegegaan in het standpunt van werkneemster dat het ontslag op staande voet haar eerst op 8 augustus 2025 heeft bereikt, zodat dat de datum van het ontslag is, zoals zij in de correctie op het verzoekschrift heeft aangevoerd, is het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet op 9 oktober 2025 te laat ingediend. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst op 8 augustus 2025 had het verzoekschrift immers uiterlijk op 8 oktober 2025 aan het einde van de dag moeten zijn ontvangen door de rechtbank. Werkneemster beroept zich op de redelijkheid en billijkheid. Volgens haar is een beroep op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vanwege de vertraging in de postbezorging die haar niet kan worden aangerekend. De kantonrechter volgt haar daarin niet. Een beroep op de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid kan slechts in uitzonderingsgevallen slagen. De kantonrechter moet terughoudend zijn in het honoreren van een dergelijk beroep. Aan de zijde van werkneemster zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld. De conclusie is dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling wordt dus niet toegekomen.
