Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 18 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:24772
Feiten
Werkneemster is van 1 januari 2019 tot 1 februari 2025 bij de Nationale ombudsman werkzaam geweest. Werkneemster is sinds 2006 werkzaam bij de rijksoverheid. Werkneemster is op 7 maart 2022 ziek geworden en heeft daarna niet meer gewerkt. Bij besluit van 9 april 2024 is haar een WIA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht tot 24 februari 2024. Werkneemster is door het UWV voor 80-100% arbeidsongeschikt beoordeeld. Na het besluit van het UWV heeft de Nationale ombudsman een ontslagvergunning voor werkneemster aangevraagd bij het UWV. Die is niet verleend. Daarna heeft de Nationale ombudsman een ontbindingsverzoek ingediend vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Dat is afgewezen maar het door werkneemster als tegenverzoek ingediende ontbindingsverzoek is wel toegewezen en de arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 10 december 2024 ontbonden met ingang van 1 februari 2025. Tevens is de Nationale ombudsman veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding, niet opgenomen verlofuren en IKB en tot het verstrekken van salarisspecificaties, eindafrekening, jaaropgaven en uitkerings- en pensioenopgaven. In februari 2025 heeft de Nationale ombudsman een herberekening gemaakt ter zake van de AAOP-uitkering (Arbeidsongeschiktheidspensioenuitkering betaald door het ABP) van € 13.187,03 en aan werkneemster een bedrag van € 20.474,08 netto uitbetaald. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat de Nationale ombudsman de AAOP-uitkering ten onrechte in mindering heeft gebracht. Werkneemster verzoekt betaling van de resterende transitievergoeding, het resterende salaris en niet-opgenomen verlofuren.
Oordeel
Werkneemster heeft bij besluit van het UWV van 9 april 2024 een WIA-uitkering gekregen die inging op 24 februari 2024. Omdat de Nationale ombudsman, anders dan de meeste overheidsonderdelen, geen eigenrisicodrager is, heeft het UWV de uitkering niet aan de Nationale ombudsman betaald maar rechtstreeks aan werkneemster. Werkneemster kreeg over de periode van 24 februari 2024 tot 31 januari 2025 dus zowel salaris als WIA-uitkering. Dat betekende dat de WIA-uitkering alsnog verrekend moest worden. Vaststaat dat de Nationale ombudsman over die periode een totaalbedrag van € 48.439,66 op het salaris in mindering heeft gebracht. Uit het door werkneemster overgelegde overzicht blijkt dat zij over die periode in totaal € 45.505,70 aan WIA heeft ontvangen. De kantonrechter stelt vast dat de Nationale ombudsman de stelling van werkneemster dat hij in elk geval € 2.178,11 te veel in mindering heeft gebracht niet gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter zal dit bedrag daarom toewijzen vermeerderd met wettelijke rente zoals verzocht. Partijen verschillen van mening over de vraag of de Nationale ombudsman het bedrag dat het ABP aan werkneemster heeft betaald als AAOP-uitkering in mindering mocht brengen op de eindafrekening. De Nationale ombudsman is van mening dat uit artikel 8.2 Cao Rijk volgt dat hij verplicht was om de AAOP op het salaris in mindering te brengen. Omdat werkneemster geen informatie had verstrekt over de AAOP was dat nog niet gebeurd en moest dat dus alsnog bij de eindafrekening gebeuren. Werkneemster is het daarmee niet eens. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat zij de vraag of de AAOP verrekend mag worden zouden voorleggen aan een deskundige. Dat hebben zij gedaan. De deskundige heeft de door de Nationale ombudsman bepleite uitleg en de juistheid van het in mindering gebrachte bedrag bevestigd. De conclusie is dan ook dat de Nationale ombudsman nog een bedrag van € 13.187,03 bruto moest verrekenen en dit bedrag daarom terecht in de eindafrekening heeft meegenomen. Het verzoek van werkneemster tot terugbetaling van dit bedrag is dan ook niet toewijsbaar. Voor wat betreft de vakantiedagen volgt uit de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie dat het weliswaar de verantwoordelijkheid van de werknemer is om zijn vakantiedagen tijdig op te nemen, maar dat de werkgever er concreet en in alle transparantie voor moet zorgen dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen en hem er zo nodig formeel toe moet aanzetten dat te doen. Indien de werkgever die verplichting niet is nagekomen komt hem geen beroep op de vervaltermijn toe. Nog daargelaten dat aangenomen kan worden dat een arbeidsongeschikte werknemer P-direct wellicht minder frequent zal raadplegen dan arbeidsgeschikte werknemers, is niet gesteld of gebleken dat de Nationale ombudsman werkneemster formeel of informeel heeft aangezet om vakantie op te nemen hetgeen eveneens een verplichting van de werkgever is. Van verval van de vakantiedagen kan dan ook geen sprake zijn.
