Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7048
Partijen verschillen van mening over de toepassing van de cao bij de herplaatsing van werknemer na arbeidsongeschiktheid. Loonconflict leidt tot een verstoorde arbeidsverhouding.

Feiten

Werknemer is sinds 1 maart 2001 in dienst bij werkgeefster. Hij is gestart als functie 1 en vervulde vanaf 1 januari 2009 de functie van functie 2 werktuigbouw. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek van toepassing. Op 1 oktober 2021 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt, waardoor zijn eigen functie te zwaar werd. Werkgeefster heeft hem in november 2021 de functie van functie 3 aangeboden. Partijen hebben hierover op 5 februari 2022 afspraken gemaakt. Werknemer is deze functie gaan vervullen tegen een ongewijzigd totaal salaris, bestaande uit een vast salaris en een persoonlijke toeslag. Cao-verhogingen werden toegepast op het vaste salaris en verrekend met de toeslag. In de bevestigingsbrief is verwezen naar artikel 36 lid 4 van de cao, welk voorstel door werknemer, bijgestaan door FNV, voor akkoord is ondertekend. In 2024 is tussen partijen discussie ontstaan over de toepassing van artikel 36 van de cao en over de aanspraak op vergoeding van reisuren. FNV stelde zich namens werknemer op het standpunt dat de persoonlijke toeslag niet mocht worden afgebouwd en dat cao-verhogingen over het volledige salaris hadden moeten worden berekend. Werkgeefster heeft betwist dat zij de cao onjuist heeft toegepast, maar heeft vanwege ontstane onduidelijkheid een nabetaling gedaan en de persoonlijke toeslag hersteld. Tevens zijn afspraken gemaakt over reizen binnen werktijd. De discussie heeft geleid tot escalatie en wederzijds wantrouwen. In juni 2024 heeft werknemer zich opnieuw ziek gemeld. Tijdens het ziekteverzuim heeft de bedrijfsarts herhaaldelijk geadviseerd om naast medische behandeling ook de werkgerelateerde factoren aan te pakken, bij voorkeur via mediation. Deze pogingen zijn zonder resultaat gebleven. In 2025 is de re-integratie verder bemoeilijkt geraakt, onder meer door conflicten over spoor 2. Het UWV heeft in deskundigenoordelen geoordeeld dat werkgeefster voldoende heeft gedaan aan haar re-integratieverplichtingen. Werknemer is tot op heden arbeidsongeschikt gebleven. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer verzet zich daartegen en stelt dat de cao onjuist is toegepast. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt werknemer om een hogere transitievergoeding en een billijke vergoeding, alsmede betaling van achterstallig loon en reisuren en verklaringen voor recht over de juiste toepassing van de cao.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat werknemer in februari 2022 een minder zware functie is gaan vervullen, passend bij zijn belastbaarheid en dat is afgesproken dat zijn inkomen zou bestaan uit een vast salaris en een persoonlijke toeslag, zodat hij er niet op achteruit zou gaan. Voor deze functie gold een lagere functiegroep en salarisschaal. Gelet op de leeftijd van werknemer is gekozen voor toepassing van artikel 36 lid 4 van de cao, waarbij het verschil tussen het oude en nieuwe salaris werd gecompenseerd met een persoonlijke toeslag en toekomstige loonstijgingen zouden worden verrekend met die toeslag. Deze afspraak is vastgelegd in de overeenkomst van 5 februari 2022, die werknemer voor akkoord heeft ondertekend en waaraan hij uitvoering heeft gegeven. Dat werknemer zich pas ruim twee jaar later op het standpunt heeft gesteld dat hij onder druk heeft getekend, acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Van tijdig protest is niet gebleken. Wel is onduidelijkheid ontstaan doordat werkgeefster aanvankelijk verschillende standpunten heeft ingenomen over de toepasselijkheid van artikel 36 van de cao, hetgeen bij werknemer tot wantrouwen heeft geleid. Werkgeefster heeft deze onduidelijkheid erkend en alsnog conform artikel 36 lid 4 uitbetaald. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster de cao correct heeft toegepast en dat geen toezegging is gedaan dat werknemer in dezelfde salarisschaal zou blijven. De loonvordering en de gevraagde verklaringen voor recht worden afgewezen. Ook de vordering tot vergoeding van reisuren wordt afgewezen. Partijen hebben in 2022 afgesproken dat in de nieuwe functie geen reisuren van toepassing zijn. Bovendien ziet artikel 44 van de cao niet op woon-werkverkeer, maar op reizen voor werkzaamheden op wisselende locaties, waarvan onvoldoende is gebleken. In 2024 is daarnaast afgesproken dat werkzaamheden deels vanuit Utrecht konden worden verricht en dat reizen naar Alkmaar binnen werktijd mocht plaatsvinden, waarmee werknemer is gecompenseerd.

Ontbindingsverzoek

De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Het langdurige conflict over loon en cao-toepassing, het diepgewortelde wantrouwen van werknemer, de wijze waarop hij dit binnen de organisatie heeft geuit en het mislukken van mediation maken dat van een vruchtbare samenwerking geen sprake meer is. Herplaatsing ligt daarom niet in de rede. Het opzegverbod bij ziekte staat aan ontbinding niet in de weg, nu de ontbinding is gebaseerd op de verstoorde arbeidsverhouding en niet op de ziekte. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 februari 2026. Werknemer heeft recht op een transitievergoeding van € 47.832,53 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente. Voor toekenning van een billijke vergoeding bestaat geen grond. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.