Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 17 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11057
Feiten
Werkneemster is op 10 september 2012 in dienst getreden bij werkgever in de functie van verkoopster, ingedeeld in functieklasse II van de cao Bakkersbedrijf – Ambachtelijke bakkerijen (hierna: ‘de cao’). In deze procedure stelt werkneemster zich onder meer op het standpunt dat zij ten oprechte niet is ingeschaald in functieklasse III van de cao. Werkneemster vordert de veroordeling van werkgever tot betaling van loon over de uren die zij voor en na sluitingstijd van de winkel heeft gewerkt maar nooit uitbetaald heeft gekregen.
Oordeel
Functie-inschaling
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster stelt dat werkgever haar ten onrechte heeft ingeschaald in de functie van verkoopmedewerker II in plaats van verkoopmedewerker III van de cao, onder meer omdat zij op het moment van indiensttreding reeds zes jaar ervaring had in een gelijkwaardige functie bij een bakkerij elders. Werkgever betwist de duur van de relevante werkervaring van werkneemster niet maar voert aan dat de werkervaring van werkneemster niet aansluitend voorafgaand aan de indiensttreding bij werkgever is opgedaan. Uit de in de bijlage bij de cao opgenomen functievergelijking volgt dat voor beide functieklassen enige jaren relevante werkervaring in een soortgelijke functie vereist is. Niet vereist is direct aansluitende ervaring en wat betreft de werkervaring wordt evenmin onderscheid gemaakt in de duur daarvan. Dit verweer van werkgever faalt daarom. Bovendien opende en sloot werkneemster de winkel, hetgeen werkzaamheden zijn die vallen onder die van verkoopmedewerker III. Dit betreft derhalve een extra verantwoordelijkheid die een hoger salaris rechtvaardigt. Daarbij geldt dat werkneemster regelmatig alleen in de winkel stond en vanzelfsprekend klantencontact onderhield. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat werkneemster ten onrechte niet is ingeschaald in de functie van verkoopmedewerker III. Werkgever wordt dan ook veroordeeld tot het corrigeren van de functieklasse en de daarbij behorende salarisschaal.
Gewerkte tijd voor aanvangstijd en na sluitingstijd
De tijd dat werkneemster aanwezig moest zijn voordat haar dienst formeel zou beginnen, kwalificeert als arbeidstijd en werkneemster had daarvoor betaald moeten worden. Of werkneemster ook daadwerkelijk alle door haar gestelde '10-minuten uren’ over de periode 1 mei 2019 tot 1 mei 2024 nabetaald moet krijgen, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of het beroep van werkgever op de klachtlicht slaagt of niet. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van werkgever op de klachtplicht niet slaagt. Daarvoor is van belang dat werkgever welbewust in het personeelsreglement heeft opgenomen dat zijn werknemers 10 minuten voor aanvangstijd aanwezig moesten zijn, daar ook de consequentie van mogelijk ontslag aan heeft verbonden en daar tegelijkertijd geen loon voor heeft uitbetaald. Daarbij komt dat werkneemster heeft toegelicht dat zij de niet betaalde uren weleens mondeling ter sprake heeft gebracht maar dat zij geen verdere stappen heeft ondernomen uit angst voor de reactie van werkgever. Werkneemster heeft ook recht op uitbetaling van de door haar gewerkte uren na sluitingstijd over de periode 2019 tot eind 2022.
