Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7046
Concurrentiebeding geschorst: werkneemster beschikt niet over aanbestedingsgevoelige informatie; belang bij vrije arbeidskeuze weegt zwaarder dan bescherming bedrijfsdebiet.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 februari 2022 in dienst bij werkgeefster. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen dat haar verbiedt om gedurende één jaar na einde dienstverband, binnen een straal van 30 km van de vestigingen van werkgeefster, werkzaamheden te verrichten voor een concurrerende onderneming. Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst op 1 november 2025 opgezegd omdat zij per 1 december 2025 in dienst wil treden bij [bedrijf 1] B.V., volgens werkgeefster een directe concurrent op de nieuwbouwprojectenmarkt. Werkgeefster stelt dat werkneemster beschikt over concurrentiegevoelige informatie met betrekking tot aanbestedingen en dat haar indiensttreding het bedrijfsdebiet zal schaden. Werkneemster betwist dit en vordert in kort geding schorsing van het concurrentiebeding, zodat zij bij [bedrijf 1] in dienst kan treden.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is overeengekomen. De kantonrechter acht aannemelijk dat [bedrijf 1] en werkgeefster concurrenten zijn op de nieuwbouwprojectenmarkt. De kantonrechter oordeelt echter dat onvoldoende is gebleken dat werkneemster beschikt over specifieke concurrentiegevoelige informatie die van invloed kan zijn op het verkrijgen van nieuwe aanbestedingen. Werkneemster was niet betrokken bij het aanbestedingsproces en wist niet op basis waarvan keuzes werden gemaakt ten aanzien van provisies, kortingen en projectdiensten. De informatie waarover zij beschikte, was grotendeels projectgebonden, deels openbaar en bovendien reeds afgerond. Daarbij komt dat werkneemster is gebonden aan een geheimhoudingsbeding, dat het bedrijfsdebiet van werkgeefster afdoende beschermt. Gelet op het ontbreken van een reëel risico voor het bedrijfsdebiet van werkgeefster, acht de kantonrechter het aannemelijk dat werkneemster in een bodemprocedure onredelijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding. Het belang van werkneemster bij vrije arbeidskeuze weegt zwaarder dan het belang van werkgeefster bij handhaving van het beding. De kantonrechter schorst het concurrentiebeding in die zin dat werkneemster in dienst mag treden bij [bedrijf 1].