Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Special Company B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 11 september 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:10587
Werkneemster heeft haar arbeidsovereenkomst opgezegd. Werkgever had moeten onderzoeken of zij haar arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wilde beƫindigen. Geen sprake van duidelijke en ondubbelzinnige opzegging.

Feiten

Werkneemster is op 1 april 2023 bij Special Company in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van Ukrainian trauma sensitive coach/advisor. Op 30 november 2024 heeft werkneemster per e-mail aan Special Company geschreven dat zij om ontslag vroeg, waarbij zij aangaf dat zij kampte met een emotionele en fysieke burn-out en een verslechterde gezondheid. Zij verzocht daarbij om de documenten die nodig zouden zijn voor haar ontslag, aangezien zij eind december 2024 wilde stoppen met werken. Special Company heeft niet op deze e-mail gereageerd, maar het dienstverband per 31 december 2024 afgewikkeld en het loon per 1 januari 2025 stopgezet. Werkneemster ontving vanaf dat moment geen salaris meer. Op 14 april 2025 heeft werkneemster zich met terugwerkende kracht per 1 januari 2025 ziekgemeld bij het UWV. Bij brief van 3 juni 2025 heeft haar gemachtigde zich tot Special Company gewend met de mededeling dat er geen sprake was van een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en met het verzoek het loon alsnog door te betalen. Special Company heeft zich bij brief van 10 juni 2025 op het standpunt gesteld dat werkneemster haar arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig had opgezegd en dat zij niets meer verschuldigd was. Werkneemster vordert doorbetaling loon en uitbetaling van achterstallig salaris te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten. Werkneemster legt aan haar vordering ten grondslag dat haar e-mailbericht van 30 november 2024 geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst is, zodanig dat Special Company erop mocht vertrouwen dat zij daadwerkelijk wilde opzeggen. Zij stelt dat zij in de eerste plaats niet vraagt om ontslag maar om de benodigde papieren en ten tweede dat uit haar e-mailbericht duidelijk volgt dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheden tot ziekmelding en herstel. Special Company had haar hierover moeten informeren en haar moeten adviseren zich ziek te melden, althans haar ervan op de hoogte moeten brengen dat het vanwege ziekte niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden geen reden is voor het nemen van ontslag. Ook had zij moeten waarschuwen voor de gevolgen van het nemen van ontslag. Dat heeft zij nagelaten. Special Company voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkneemster, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van werkneemster, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van werkneemster in de kosten van deze procedure.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat het verweer van Special Company dat werkneemster te laat heeft geklaagd niet slaagt. Voor de periode na 1 januari 2025 werd immers geen arbeid meer verricht en kon niet worden aangenomen dat werkneemster verzuimd zou hebben tijdig te klagen. Het e-mailbericht van werkneemster van 30 november 2024, waarin zij schrijft “Helaas moet ik vandaag vragen om ontslag uit mijn functie” en verzoekt om de benodigde documenten voor ontslag, kan niet worden gezien als een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging. Werkneemster lichtte haar verzoek toe met het feit dat zij lijdt aan burn-outklachten en een verslechterde gezondheid. Gezien deze context mocht Special Company er niet zonder verder onderzoek van uitgaan dat werkneemster daadwerkelijk haar arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. Special Company had contact moeten opnemen om te verifiëren of werkneemster echt wilde opzeggen en haar moeten informeren over ziekmelding en de gevolgen van ontslag. Dat is niet gebeurd. Ook de omstandigheid dat werkneemster in december 2024 haar werkzaamheden afrondde en doorging met werken, doet niet af aan het feit dat haar intentie niet duidelijk was en nader onderzoek vereist was. Special Company heeft hierdoor haar onderzoeksplicht geschonden. Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst niet per 1 januari 2025 is geëindigd. De vordering van werkneemster tot doorbetaling van loon wordt daarom toegewezen. Met betrekking tot de hoogte van het loon is vastgesteld dat werkneemster zich met terugwerkende kracht ziek heeft gemeld per 1 januari 2025. Op grond van artikel 7:629 BW is Special Company gehouden 70% van het loon door te betalen zolang werkneemster arbeidsongeschikt is. Voor de periode van 1 januari 2025 tot de dag van de dagvaarding op 3 juli 2025 wordt een bedrag van € 12.504,24 bruto aan achterstallig loon toegewezen. Omdat sprake is van achterstallig salaris, is werkneemster ook gerechtigd tot wettelijke verhoging, welke de kantonrechter matigt tot 20% gezien het ontbreken van opzettelijk of onrechtmatig gedrag van Special Company. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 1.089,05 inclusief btw, omdat werkneemster geen onderneemster is. Special Company is als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.